Toelatingsnummer 12452 N

     

 

Calypso  

 

12452 N

 

 

 

 

 

 

 

Het College voor de Toelating

van Bestrijdingsmiddelen,

 

 

 

 

overwegende, dat het besluit tot toelating van het middel

 

Calypso

 

nr. 12452 N d.d 20 juni 2003 dient te worden gewijzigd en het in verband daarmee wenselijk is dit besluit in te trekken en daarom in de plaats, gelet op de artikelen 3, 3a, 4 en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288), het volgende besluit vast te stellen,

 

 

§ I        Toelating

  1. Het bestrijdingsmiddel Calypso wordt toegelaten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Bestrij­dings­middelen­wet 1962, onder nummer en datum dezes.   
  2. De toelating geldt tot 31 december 2014.

 

 

§ II  Samenstelling, vorm en afwerking

Onverminderd hetgeen omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling bestrij­dingsmiddelen is bepaald, moeten:

  1. de samenstelling, vorm en fysische toestand van het middel alsmede de chemische en fysische eigenschappen daarvan overeenkomen met de bij de aanvraag tot toelating verstrekte gegevens, alsmede met het bij de aanvraag tot toelating verstrekte monster.

 

§ III  Gebruik

Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I dezes, onder A. is voorgeschreven.

 

 


 

§ IV Verpakking en etikettering

 

  1. De aanduidingen, welke ingevolge artikel 36 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en artikelen 14, 15a, 15b, 15c en 15e van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten (voor gewasbeschermingsmiddelen, voor biociden 15e is 15d) op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

 

Overeenkomstig artikel 15c, lid 1, onder b van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          aard van het preparaat: Dispergeerbaar concentraat

 

Overeenkomstig artikel 15d, lid 1 (biociden) en artikel 15e, onder b (gewasbeschermingsmiddelen) van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-    Werkzame stof:

-    Gehalte:

 

 

thiacloprid

480 g/l

 

Overeenkomstig artikel 14, lid 1 tot en met lid 3 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):  

-

 

 

  1. Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten voorge­schreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

 

a.      hetgeen in bijlage I onder A. is vermeld.

 

b.      de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.

 

c.      overeenkomstig artikel 14, lid 4 tot en met lid 13 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling, tenzij bij de veiligheidsaanbeveling cursief is aangegeven dat een keuze moet worden gemaakt; dan dient de optie die van toepassing is op het etiket te worden vermeld:

 

-    Gevaarsymbool:

-    Aanduiding:

 

 

Xn

Schadelijk

 

 

N

Milieugevaarlijk

 


 

-          Waarschuwingszinnen:

Schadelijk bij inademing en opname door de mond.

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

-          Veiligheidsaanbevelingen:

Niet roken tijdens gebruik.

Spuitnevel niet inademen.

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

In geval van inslikken onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren. (Deze zin hoeft niet te worden vermeld op het etiket indien u deelneemt aan het verpakkingenconvenant, en op het etiket het STORL-vignet voert, en ingevolge dit convenant de toepasselijke zin uit de volgende verwijderingszinnen op het etiket vermeld:

1)      Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld, zoals wettelijk is voorgeschreven.

2)      Deze verpakking is bedrijfsafval, nadat deze volledig is geleegd.

3)      Deze verpakking dient nadat deze volledig is geleegd te worden ingeleverd bij een KCA-depot. Informeer bij uw gemeente.)

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies / veiligheidsgegevenskaart.

Was alle beschermende kleding na gebruik.

 

d.      overeenkomstig artikel 14, lid 13 en lid 14 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling:

 

-          Specifieke vermeldingen:

 

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

e.      bij het toelatingsnummer een cirkel met daarin de aanduiding W.1.

 

f.    n.v.t. 

 

g.   n.v.t. 

 

h.   n.v.t. 

 

 

§ V Afleverings- opgebruiktermijnen

Niet conform dit wijzigingsbesluit aangepaste verpakkingen mogen voor de periode van
29 juli 2005 tot 1 februari 2007 nog worden gebruikt en ten behoeve van het gebruiken voorhanden of in voorraad worden gehouden.

 

Niet conform dit besluit aangepaste verpakkingen mogen voor de periode van
29 juli 2005 tot 1 augustus 2006 nog worden verkocht, te koop of te ruil worden aangeboden, ter beschikking gesteld worden, geschonken alsmede uitgedeeld worden.

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 



Aan:

Bayer CropScience B.V.

Energieweg 1
3641 RT  MIJDRECHT

 

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE I bij het wijzigings- en herregistratiebesluit van de toelating van het middel Calypso,  toelatingsnummer 12452 N         

 

A.

Wettelijk gebruiksvoorschrift

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als insectenbestrij­dingsmiddel als

 

I Gewasbehandeling:

a.      in de teelt van appels en peren (jong gewas) met dien verstande dat de toepassing langs watergangen voor 1 mei uitsluitend is toegestaan indien:

§         gespoten wordt met tunnelspuit en een maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 liter per hectare of

§         in de eerste 20 meter grenzend aan de watergang gebruik wordt gemaakt van een venturi-dop in combinatie met een éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en een maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l.

in de teelt van appels en peren (jong gewas) met dien verstande dat de toepassing langs watergangen na 1 mei uitsluitend is toegestaan indien:

§         tussen de watergang en de buitenste bomenrij een aaneengesloten windscherm en een rijpad zijn geplaatst en het windscherm niet bespoten wordt, of

§         gespoten wordt met een tunnelspuit, of

§         een teeltvrije zone van 6 meter aanwezig is en maximaal 1000 liter spuitvloeistof wordt toegepast, of

§         sensorgestuurd gespoten wordt met maximaal 1000 liter spuitvloeistof per hectare, of

§         een emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater aanwezig is en maximaal 950 liter spuitvloeistof per hectare wordt verspoten, of

§         het middel verspoten wordt met een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 liter spuitvloeistof per hectare of

§         in de eerste 20 meter grenzend aan de watergang gebruik wordt gemaakt van een venturi-dop in combinatie met een éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en een maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l.

in de teelt van appels, peren, pruimen en kersen met dien verstande dat de toepassing langs watergangen voor 1 mei uitsluitend is toegestaan indien:

§         gespoten wordt met tunnelspuit en een maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 liter per hectare of

§         in de eerste 20 meter grenzend aan de watergang gebruik wordt gemaakt van een venturi-dop in combinatie met een éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en een maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l.

in de teelt van appels, pruimen en kersen met dien verstande dat de toepassing langs watergangen na 1 mei uitsluitend is toegestaan indien:

§         tussen de watergang en de buitenste bomenrij een aaneengesloten windscherm en een rijpad zijn geplaatst en het windscherm niet bespoten wordt, of

§         gespoten wordt met een tunnelspuit, of

§         een teeltvrije zone van 6 meter aanwezig is en maximaal 1000 liter spuitvloeistof wordt toegepast, of

§         sensorgestuurd gespoten wordt met maximaal 800 liter spuitvloeistof per hectare, of

§         een emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater aanwezig is en maximaal 950 liter spuitvloeistof per hectare wordt verspoten, of

§         het middel verspoten wordt met een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 liter spuitvloeistof per hectare of

§         in de eerste 20 meter grenzend aan de watergang gebruik wordt gemaakt van een venturi-dop in combinatie met een éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij.

in de teelt van peren met dien verstande dat de toepassing langs watergangen ná 1 mei uitsluitend is toegestaan indien:

§         tussen de watergang en de buitenste bomenrij een aaneengesloten windscherm en een rijpad zijn geplaatst en het windscherm niet bespoten wordt, of

§         gespoten wordt met een tunnelspuit, of

§         een teeltvrije zone van 6 meter aanwezig is en maximaal 1000 liter spuitvloeistof wordt toegepast, of

§         sensorgestuurd gespoten wordt met maximaal 800 liter spuitvloeistof per hectare, of

§         een emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater aanwezig is en maximaal 950 liter spuitvloeistof per hectare wordt verspoten, of

§         het middel verspoten wordt met een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 liter spuitvloeistof per hectare of

§         in de eerste 20 meter grenzend aan de watergang gebruik wordt gemaakt van een venturi-dop in combinatie met een éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij.

b.      in de onbedekte teelt van rode-, witte-, zwarte-, blauwe en kruisbes

c.      in de onbedekte teelt van loganbes, taybes, braam en framboos

d.      in de teelt van aardbei met dien verstande dat maximaal 2 bespuitingen per seizoen zijn toegestaan

e.      in de bedekte teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat

f.        in de teelt van aardappel

g.      in de teelt van suiker- en voederbiet met dien verstande dat maximaal 2 bespuitingen per seizoen zijn toegestaan

h.      in de teelt van hennep

i.         in de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen

j.         in de bedekte teelt van bloemisterijgewassen

k.       in de onbedekte teelt  van bloemisterijgewassen met dien verstande dat langs watergangen maximaal 3 bespuitingen per seizoen zijn toegestaan

l.         in de teelt van boomkwekerijgewassen

§         in spillen met dien verstande dat langs watergangen maximaal 3 bespuitingen zijn toegestaan

§         in opzetters met dien verstande dat langs watergangen maximaal 980 liter spuitvloeistof per hectare mag worden verspoten

§         in overige boomkwekerijgewassen met dien verstande dat langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 liter spuitvloeistof zijn toegestaan

m.    in vaste planten met dien verstande dat langs watergangen maximaal 3 bespuitingen zijn toegestaan

n.      in openbaar groen

 

II Druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart:

o.      in de teelt op substraat van aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat.

 

Dit middel is gevaarlijk voor niet-doelwitarthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

 

Om de bodemorganismen te beschermen mag u dit product in de toepassing in grootfruit (met uitzondering van jong gewas), klein fruit (met uitzondering van aardbei in de vollegrond), en vruchtgroenten onder glas (met uitzondering van substraatteelt) ten hoogste twee maal gebruiken en in toepassingen in bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen (in de vollegrond en onder glas) ten hoogste driemaal gebruiken.

 

Veiligheidstermijn

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan:

1 dag:         voor bedekte teelt van aardbei, druppelbehandeling van aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat voor augurk, courgette, komkommer, pattison, gewasbehandeling van aubergine, paprika, Spaanse peper, tomaat op de dag van oogst niet toepassen vòòr het oogsten.

3 dagen:     voor onbedekte teelt van aardbei, rode-, witte-, zwarte-, blauwe en kruisbes, loganbes, taybes, braam en framboos.

14 dagen:   voor aardappel, appel, peer, pruim en kers.

35 dagen:   voor biet.

 

 

B.

Gebruiksaanwijzing

 

Algemeen

 

De werking van Calypso komt met name via contactwerking tot stand.

 

Resistentiemanagement

 

Om de kans op verminderde gevoeligheid te beperken, is het aan te bevelen om af te wisselen met insecticiden met een ander werkingsmechanisme, die voor de betreffende toepassing een toelating hebben.

 

Gewasveiligheid

Als er nog geen ervaring is opgedaan met het middel dient een proefbespuiting uitgevoerd te worden om de verdraagzaamheid van het gewas te testen.

 

Toepassingen gewasbehandelingen

 

Appel, ter bestrijding van bladluizen

Bij aanwezigheid van de stammoeders van de roze appelluis of zodra aantasting van één van de overige bladluizen wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025% ( 25 ml per 100 liter water)

 

Appel, ter bestrijding van appelzaagwesp

Als prikken van de zaagwespen worden waargenomen (onder de kelkslippen) een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025% (25 ml per 100 liter water)

 

Peer, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Appel, peer, kers en pruim ter bestrijding van groene appelwants

Zodra larven van de groene appelwants worden waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025% (25 ml per 100 liter water)

 

Kers en pruim, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 


Rode bes, witte bes, zwarte bes, blauwe bes en kruisbes,  ter bestrijding van groene appelwants

Zodra de larven van de groene appelwants worden waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Rode bes, witte bes, zwarte bes en kruisbes,  ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Blauwe bes, ter bestrijding van bladluizen, o.a. Fimbriaphis fimbriata

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Braam, framboos, loganbes en taybes, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Aardbei, ter bestrijding van bladluizen, o.a. Fimbriaphis fimbriata

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren. Maximaal 2 maal toepassen per seizoen.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water) of 0,25 l middel per hectare (vollegrond)

 

Aardbei, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren.

De bespuiting na één week herhalen. Maximaal 2 maal toepassen per seizoen.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water) of 0,25 l middel per hectare (vollegrond)

 

Bedekte teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en  tomaat, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Bedekte teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren.

De bespuiting na één week herhalen.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Aardappel, waaronder zetmeel-,  consumptie- en pootaardappel, ter bestrijding van bladluizen zoals groene perzikluis, aardappeltopluis en vuilboomluis ter voorkoming van zuigschade

Een behandeling uitvoeren wanneer gemiddeld meer dan 50 bladluizen per samengesteld blad voorkomen. Voor vuilboomluis is nog geen schadedrempel vastgesteld voor deze bladluis geldt dat een behandeling uitgevoerd dient te worden zodra aantasting wordt waargenomen.

Dosering: 0,25 l middel per hectare

 

Suikerbiet en voederbiet, ter voorkoming van zuigschade door o.a. groene perzikluis

Zodra aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren. Maximaal 2 maal toepassen per seizoen.

Dosering: 0,25 l middel per hectare


 

Hennep, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren. De bespuiting na één week herhalen.

Dosering:        0,025% (25 ml per 100 liter water) onder glas of

                        0,25 l middel per hectare in de vollegrond

 

Hennep, ter bestrijding van groene perzikluis

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering:        0,025% (25 ml per 100 liter water) onder glas of

                        0,25 l middel per hectare in de vollegrond

 

Onbedekte teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, ter bestrijding van bladluizen.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,25 l middel per hectare

 

Bedekte teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen ter bestrijding van bladluizen.

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Gladiool, ter bestrijding van gladiolentrips

Bij het verschijnen van het derde blad starten met de bestrijding. De behandelingen daarna nog twee keer herhalen met intervallen van 7 tot 10 dagen.

Dosering:   0,025 % (25 ml per 100 liter water) bedekte teelt of

                   0,25 l middel per hectare in de vollegrond

 

Onbedekte teelt van bloemisterijgewassen, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,25 l middel per hectare

 

Bedekte teelt van bloemisterijgewassen, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Bedekte en onbedekte teelt van bloemisterijgewassen, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren. De bespuiting na één week herhalen.

Dosering:   0,025 % (25 ml per 100 liter water) onder glas of

                   0,25 l middel per hectare in de vollegrond

 

Onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering:  0,25 l middel per hectare

 

Bedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten, ter bestrijding van bladluizen

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering: 0,025 % (25 ml per 100 liter water)


 

Onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten met uitzondering van opzetters, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren. De bespuiting na één week herhalen.

Dosering:   0,025 % (25 ml per 100 liter water)

                  

Bedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een bespuiting uitvoeren. De bespuiting na één week herhalen.

Dosering:   0,025 % (25 ml per 100 liter water)

 

Openbaar groen, ter bestrijding van bladluizen  

Zodra een aantasting wordt waargenomen een bespuiting uitvoeren.

Dosering:  0,25 l middel per hectare

 

Toepassingen druppelbehandeling

Bedekte teelt van aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat op kunstmatig substraat, ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg

Bij aanwezigheid van de larven van de kaswittevlieg een druppelbehandeling uitvoeren.

De druppelbehandeling alleen na 1 maart uitvoeren.

Dosering: 20 ml per 1000 planten

 

 

Gevoeligheid gewassen

Gezien het grote aantal variëteiten en de wisselende teeltomstandigheden van bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen, vaste planten en groenteteeltgewassen en de verschillen in gewasverdraagzaamheid, verdient het aanbeveling om alvorens een middel toe te passen een proefbespuiting uit te voeren.

 

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE II bij het wijzigings- en herregistratiebesluit van de toelating van het middel Calypso, toelatingsnummer 12452 N

 

Het betreft een aanvraag tot herregistratie van de toelating van het middel Calypso,
20040491 THG, een middel op basis van de werkzame stof thiacloprid, als insectenbestrij­dingsmiddel in de niet-grondgebonden teelt onder glas door middel van:

I.   gewasbehandeling:

a.      van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat;

b.      van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen;

c.      van bloemisterijgewassen;

d.      van boomkwekerijgewassen en vaste planten en

II   druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart

e.      van aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat.

 

Het betreft tevens een aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het middel Calypso, 20040191 UG, als insectenbestrij­dingsmiddel in de grondgebonden teelt onder glas en buitenteelt door middel van:

I.   gewasbehandeling van:

a.      aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat;

b.      groot fruit

c.      klein fruit (o.a. aardbeien),

d.      aardappelen,

e.      bieten,

f.        hennep

g.      openbaar groen.

h.      bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen;

i.         bloemisterijgewassen;

j.         boomkwekerijgewassen en vaste planten en

II   druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart van

k.       aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat.

 

Thiacloprid is een nieuwe werkzame stof voor de EU. Thiacloprid is geplaatst op Bijlage I van gewasbeschermingsrichtlijn 91/414/EEG per 1 januari 2005 (richtlijn 2004/99/EC d.d.
1 oktober 2004).

De einddatum van de werkzame stof thiacloprid is 31 december 2014.

 

De huidige beoordeling en besluitvorming zijn overeenkomstig de in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde uniforme beginselen op basis van een dossier dat beantwoordt aan de eisen van bijlage III bij die richtlijn.

 

 

Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag

 

Uitbreidingsaanvraag

De aanvraag is op 2 juni 2004 ontvangen; op 4 juni 2004 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. De aanvraag is op 23 november 2004 niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van gegevens voor het aspect residuen. Op 26 november 2004 zijn ontbrekende gegevens ontvangen. De aanvraag is op 8 februari 2005 in behandeling genomen. Op 11 februari 2005 werden de verschuldigde beoordelingskosten ontvangen.

De 34-weken termijn eindigt op 4 oktober 2005.

 

Herregistratieaanvraag

De aanvraag is op 20 december 2004 ontvangen; op 20 december 2004 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. De aanvraag is op 17 februari 2005 in behandeling genomen. Op 26 april 2005 werden de verschuldigde beoordelingskosten ontvangen.

 

Toepassingsoverzicht

 

In tabel 1 staat een overzicht gegeven van de toepassingen van Calypso (zowel de toegelaten als de aanvraagde toepassingen)

 

Tabel M.1 Toepassingsoverzicht Calypso

Nr.

Toepassing

doelwit arthropood

Dosering w.s. [kg/ha]

Freq.

Interval [dag]

Tijdstip toepassing

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

groene perzikluis, vuilboomluis, aardappeltopluis, (zuigschade)

0,12

3*

60

mei-sept

2

suiker-voederbiet: v.g.

groene perzikluis, (zuigschade)

0,12

3*

60

april-aug

3

hennep: v.g

kaswittevlieg, groene perzikluis

0,12

3*

60

mei-aug

4

hennep: o.g.

kaswittevlieg, groene perzikluis

0,072

3*

60

mei-aug

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

april sept

6

appel: v.g.

bladluizen

0,18

3*

60

april-sept

7

peer: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

april-sept

8

appel, jong gewas: v.g.

appelzaagwesp, groene appelwants

0,12

3*

60

april-juli

9

appel: v.g.

appelzaagwesp, groene appelwants

0,18

3*

60

april-juli

10

peer, jong gewas: v.g.

groene appelwants

0,12

3*

60

april-juli

11

peer: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

april-juli

12

pruim, kers: v.g.

groene appelwants

0,18

3*

60

april-juli

13

pruim, kers: v.g.

bladluizen

0,18

3*

60

april-sept

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

april-sept

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

april-juli

16

blauwe bes

bladluizen

0,144

3*

60

april-juli

17

aardbei

bladluizen

0,072

3*

60

april-sept

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

bladluizen

0,144

3*

60

april-sept

19

aardbei: o.g.

bladluizen

0,168

3*

60

april-okt

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg

0,072

4

7

april-sept

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

0,168

4

7

april-okt

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

0,096

3*

60

mei-sept

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

mrt-sept

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

mei-sept

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

mrt-sept

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg

0,12

4

7

juni-sept

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

mrt-sept

28

boomkwekerijgewassen (muv opzetters), vaste planten: v.g.

larven kaswittevlieg

0,12

4

7

juni-sept

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

mrt-sept

30

vruchtgoenten: o.g.

bladluis

0,18

3*

60

jan-dec

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,18

4

7

jan-dec

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.; druppelbehandeling

larven kaswittevlieg

0,241

3*

60

mrt-nov

33

bloembol, bloemknol en bolbloemgewassen: o.g.

bladluis

0,12

3*

60

jan-dec

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

jan-dec

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijgewassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,12

3*

60

jan-dec

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijgewassen en  vaste planten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,12

4

7

jan-dec

* deze frequentie vormt de worse case per teeltperiode, waarbij een nieuwe toepassing uitsluitend plaatsvindt bij een nieuwe aantasting. Het interval tussen de toepassingen is 2 maanden gebaseerd op 1 maand werkzaamheid en 1 maand voor de ontwikkeling van ei- tot adultstadium

1 uitgaande van 2,5 plant/m2, dit is een realistiche aanname voor de teelt van tomaten, voor de overige teelten is dit een worse case aanname.

 

 

Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

Werkzame stof thiacloprid

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik gemaakt van de eindpuntentabel (november 2002) zoals die als onderdeel van de monograph is opgesteld en besproken is in de ECCO/EPCO bijeenkomsten. De werkzame stof is per 1 januari 2005 geplaatst op bijlage I van gewasbeschermingsrichtlijn 91/414/EEG.

 

Identity

Active substance (ISO Common Name)

YRC 2894 (ISO Common Name: Thiacloprid)

Chemical name (IUPAC)

(Z)-N-{3-[(6-Chloro-3-pyridinyl)methyl]-1,3-thiazolan-2-yliden}cyanamide

Chemical name (CA)

Cyanamide, [3-[(6-chloro-3-pyridinyl)methyl]-2-thiazolidinylidene]-

CIPAC No

631

CAS No

111988-49-9

EEC No (EINECS or ELINCS)

not allocated

FAO Specification (including year of publication)

an FAO specification does not yet exist

Minimum purity of the active substance as

manufactured (g/kg)

³ 950 g/kg

Identity of relevant impurities (of toxicological, environmental and/or other significance) in the

active substance as manufactured (g/kg)

None of the impurities are of toxicological or environmental significance.

Molecular formula

C10H9ClN4S

Molecular mass

252.73 g/mol

Structural formula

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Physical-chemical properties

Melting point (99.3%)

136 °C

Boiling point

Not determined as thermal decomposition starts at 270 °C

Temperature of decomposition

Thermal decomposition starts at 270 °C

Appearance (99.3% and technical material)

Yellowish solid

Relative density (99.3%)

1.46 g/cm3

Surface tension

66mN/m

Vapour pressure (in Pa, state temperature)

3 x 10-10 Pa at 20 °C

Henry’s law constant (Pa m3 mol -1)

5 x 10-10 Pa m3 mol -1

Solubility in water (g/l or mg/l, state temperature)

pH4:  186 mg/l at 20 °C

 

pH7:  184 mg/l at 20 °C

 

pH9:  185 mg/l at 20 °C

Solubility in organic solvents (in g/l or mg/l, state temperature)

n-Hexane                <0.1g/l at 20 °C

Xylene                     0.30g/l at 20 °C

Dichloromethane      160g/l at 20 °C

 

1-Octanol                 1.4g/l at 20 °C

1-Propanol                3.0g/l at 20 °C

Acetone                    64g/l at 20 °C

 

Ethyl acetate             9.4g/l at 20 °C

Polyethylene glycol   42g/l at 20 °C

Acetonitrile               52g/l at 20 °C

Dimethyl sulfoxide    150g/l at 20 °C

Partition co-efficient (log POW) (state pH and temperature)

Log Pow = 1.26 at 20 °C

Water solubility unaffected by pH, therefore range of pHs not looked at.

Metabolite YRC 2894-amide:

Log Pow = 0.73 at 20 °C, pH4

Log Pow = 0.73 at 20 °C, pH 7

Log Pow = 0.74 at 20 °C, pH 9

Hydrolytic stability (DT50) (state pH and temperature)

Stable to hydrolysis at pH 5-9 at 25 °C

Dissociation constant

Thiacloprid has no acid or basic properties in aqueous solution.

UV/VIS absorption (max.) (if absorption > 290 nm state e at wavelength)

242 nm (e = 18195 lּmol-1ּcm-1)

No UV absorption above 290nm.

Photostability (DT50) (aqueous, sunlight, state pH)

DT = 80 days at pH 7 in sterile aqueous buffered solution, continuously irradiated with a Xenon lamp for a test period of 18 days or 324 days continuous sunlight for Phoenix, Arizona.

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

0.00035

Photochemical oxidative degradation in air

Atmospheric t 1/2 = < 1 day

Flammability

Non-flammable

Auto-flammability

No self-ignition

Oxidative properties

Not oxidising

Explosive properties

Non-explosive

 

 Middel Calypso

 

Formuleringstype (GIPAF code)

suspensie concentraat (SC)

Uiterlijke kenmerken

Licht bruin gekleurde vloeistof

Explosieve eigenschappen

Niet explosief

Oxiderende eigenschappen

Niet oxiderend

vlampunt

>100°C (kookpunt oplossing)

pH 1% oplossing

7,4 (onverdund)

Oppervlakte spanning

59,1 mN/m (0,03% bij 20°C)

Viscositeit

120 mPa.s (20°C, shear rate 100/s)

Relatieve dichtheid

1,179

Houdbaarheid stabiliteit

7 dagen bij 0 °C: fysisch stabiel

De stabiliteit en houdbaarheid is bepaald door middel van een versnelde duurtest van 14 dagen bij 54 °C en een houdbaarheidsstudie van 2 jaar.

Gehalte werkzame stof (g/l of g/kg)

480 g/l

Physical and chemical compatibility

Er worden geen tankmengsel aanbevolen

 

Hoewel het middel in de houdbaarheidstest bij 0 °C stabiel blijkt, wordt in de monograph aangegeven dat op het label wordt aanbevolen om het middel te beschermen tegen bevriezen (V30-NL). In het etiketteringvoorstel in de monograph is dit echter niet opgenomen.

 

Het middel wordt verkocht in 1 liter HDPE-flessen.

 

Het middel voldoet aan de eisen met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen. Naast de fysisch chemische eigenschappen opgenomen in bovenstaande tabel voldoen ook de volgende eigenschappen aan de gestelde eisen: schuimvorming, dispersie eigenschappen, natte zeeftest, gietbaarheid.

 

Conclusie fysisch chemische eigenschappen

 

De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer om de identiteit van de stof en het middel te kunnen vaststellen, specificeren en karakteriseren. Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu, toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen beschikbaar zijn.

 


Voorstel voor classificatie van thiacloprid met betrekking tot fysisch / chemische eigenschappen

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen1

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen2

21

Niet roken tijdens gebruik

 

 

 

 

 

Deze classificatie wijkt af van de classificatie zoals voorgesteld in de concept monograph.

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de eigenschappen van de hulpcomponenten en de wijze van toepassen wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

In het heretiketteringsbesluit (10 december 2004) is verzuimd S21 aan het middel Calypso toe te kennen.

 

(De in onderstaande tabel gebruikte nummering komt overeen met de nummering in het Collegebesluit, § IV, Verpakking en etikettering:)

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen1

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen2

21

Niet roken tijdens gebruik

 

 

 

 

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen3

-

-

 

 

 

 

2h) 5

Kinderveilige sluiting verplicht?

-

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

-

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

-

S-zinnen

Middel bevat halogeenhoudende w.s.

Overige:

-

1 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code R..), 91/414/EG, annex IV (Code RS..) of nationaal toegekende zinnen (code G..)

2 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code S..), 91/414/EG, annex V (Code SP..) of nationaal toegekende zinnen (code V..)

3 Zinnen afkomstig uit 1999/45/EG (code DPD..)

4 Deze zin vermelden bij alle gewasbeschermingsmiddelen; zin verwijderen bij biociden

5 Alleen van toepassing bij particuliere middelen


 

Analysemethoden in technisch materiaal en product

 

Technical as (principle of method)

Thiacloprid was determined by HPLC-UV

Impurities in technical as (principle of method)

 

Impurities were determined by HPLC-UV (Butonal by GC-FID, water by Karl Fisher and TBACl and NaCl by capillary electrophoresis)

Plant protection product (principle of method)

Thiacloprid was determined by HPLC-UV

 

De analysemethoden voor de werkzame stof en de onzuiverheden in het technisch materiaal en het handelsmiddel zijn als afdoende beoordeeld in de monograph.

 

Residuanalysemethoden

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Thiacloprid was determined by HPLC-UV, with an LOQ of 0.02 mg/kg

Food/feed of animal origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Thiacloprid was determined by HPLC-UV, with an LOQ of 0.02 mg/kg (0.01 mg/kg for milk)

Soil (principle of method and LOQ)

 

Thiacloprid and its metabolites M02 and M30 were determined by HPLC-UV, with an LOQ of 0.01 mg/kg (HPLC-MS/MS, LOQ of 0.005 mg/kg)

Water (principle of method and LOQ)

 

Thiacloprid was determined by HPLC-UV, with an LOQ of 0.05 mg/l; data required for M02 (subject to agreement of the residue definition)

Air (principle of method and LOQ)

 

Thiacloprid was determined by HPLC-UV, with an LOQ of 0.0018 mg/m3

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

No methods were required

 

Vanuit de toepassing (WGGA) dient een residuanalysemethode te worden geleverd voor waterige matrices (aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat). De geleverde residuanalysemethode voldoet voor de waterige matrix.

 

De residudefinitie in plantaardige en dierlijke producten is thiacloprid. De voorgestelde MRL’s uit de monograph is 0,1-0,5 mg/kg voor de waterige matrices en 0,05 mg/kg voor vlees, vet, nier en lever en 0,01 mg/kg voor melk.

De residuanalysemethoden voor de werkzame stof zijn als afdoende beoordeeld in de monograph, en de voorgestelde MRL’s kunnen met de voorgestelde methoden worden gemeten.

 

Conclusie analysemethoden

 

De geleverde analysemethoden voldoen aan de vereisten. De residuanalysemethoden zijn specifiek en gevoelig genoeg om te kunnen worden gebruikt voor het controleren van de betreffende plantaardige en dierlijke producten op het maximaal toegestane gehalte en het monitoren van de verspreiding van de residuen in het milieu.


 

 

Profiel werkzaamheid

 

Herregistratieaanvraag

Het middel Calypso wordt aangevraagd voor herregistratie. Het middel is reeds toegelaten in Nederland en in 1996 en 1999 beoordeeld op werkzaamheid.

In de jaren sinds eerste toelating hebben voor de aangevraagde/toegelaten teelten maar een aantal kleine teelt- of ziektewijzigingen zich voorgedaan. Dit betreft met name de aanbevelingen en voorschriften voor resistentiegevoeligheid. De Insecticide Resistance Action Committee adviseert hierover en geeft ook richtlijnen voor gebruik. Deze worden in de praktijk goed opgevolgd, zodat er weinig tot geen problemen zijn met resistentie.

Bij de herregistratie worden een aantal restricties van het gebruik voorgesteld, teneinde te voldoen aan de milieucriteria. De voorgestelde wijzigingen zijn niet direct van invloed op de werking of hebben een acceptabel effect.

 

Uitbreidingsaanvraag

De beoordeling is onder andere gebaseerd op de door Plantenziektenkundige Dienst opgestelde samenvatting en beoordeling (rapport: cs5calypso01).

Claim

 

Calypso wordt geclaimd ter bestrijding van diverse insecten in de teelt van fruit, vruchtgroenten, aardappelen, bieten, hennep, diverse sierteeltgewassen en openbaar groen. De geclaimde dosering is 0,025% of 0,25 l/ha. Het middel dient via een gewasbehandeling te worden toegediend.

 

Tabel W.1    Toepassingsgebieden

Toepassingsgebieden/ gewassen

werkingsspectrum

dosering (/ha)

appel

groene perzikluis, roze appelluis, appelgrasluis, fluitekruidluis, vouwgalluis, groene appeltakluis, bloedvlekkenluis, appelzaagwesp, groene appelwants

 

0,025%

peer

groene perzikluis, roze perenluis, zwarte bonenluis, zwarte perenluis, vouwgalluis

groene appelwants

 

0,025%

kers

groene kortstaartluis, melige pruimenluis,

zwarte kersenluis, hopluis, groene perzikluis, gevlekte kortstaartluis, zwarte kortstaartluis, distelkortstaartluis, waterlelieluis, groene appelwants

 

0,025%

pruim

groene kortstaartluis, melige pruimenluis,

zwarte kersenluis, hopluis, groene perzikluis, gevlekte kortstaartluis, zwarte kortstaartluis, distelkortstaartluis, waterlelieluis

 

0,025%

rode bes, witte bes, zwarte bes

groene appelwants, kleine bessenluis, hennepnetelluis, bloedblaarluis, groene slaluis, melkdistelluis

 

0,025%

blauwe bes

groene appelwants, Fimbriaphis fimbriata

 

0,025%

kruisbes

groene appelwants

 

0,025%

braam, framboos, loganbes, taybes

Braam-grasluis, grote bramenluis, kleine bramenluis, grote frambozenluis, kleine frambozenluis

 

0,025%

aardbei

groene perzikluis, zwarte bonenluis, katoenluis, aardappeltoplluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, aardbeiknotshaarluis,

gele bosbessenluis, larven van kaswittevlieg

 

0,025% of 0,25 l/ha

bedekte, grondgebonden teelt  van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat

Groene perzikluis, katoenluis,  aardappeltopluis, en kaswittevlieg

0,025%

pootaardappelen,  fabrieksaardappelen,

consumptieaardappelen

 

groene perzikluis, aardappeltopluis, vuilboomluis

0,25 l/ha

suikerbiet, voederbiet

Groene perzikluis

 

0,25 l/ha

hennep

kaswittevlieg, groene perzikluis

 

0,025% of 0,25 l/ha

onbedekte teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen

 

zwarte bonenluis, katoenluis, aardappeltopluis, sjalottenluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, groene perzikluis

 

0,25 l/ha

onbedekte teelt van gladiool

gladiolentrips

0,25 l/ha

 

onbedekte teelt van bloemisterijgewassen

 

zwarte bonenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, boterbloemluis, groene perzikluis, larven van witte vlieg

 

0,25 l/ha

onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten

 

Groene perzikluis, zwarte bonenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, zwarte kersenluis, groene sparreluis, japanse esdoornluis, boterbloemluis, groene appeltakluis, vogelkersluis

 

0,025%

onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten met uitzondering van opzetters

 

Larven van kaswittevlieg

0,025%

openbaar groen

Groene perzikluis, zwarte bonenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, zwarte kersenluis, groene sparrenluis, japanse esdoornluis, boterbloemluis, groene appeltakluis, vogelkersluis

0,025%

 

Karakterisering van het middel

 

Calypso bevat de werkzame stof thiacloprid. Thiacloprid behoort, evenals imidacloprid, tot de chemische groep chloronicotinen. De werking van Calypso komt voornamelijk via contactwerking tot stand maar heeft ook een goede systemische werking. Het middel verstoort de werking van zenuwcellen in het zenuwstelsel van de insecten.

 

Aantaster/teelt

 

Bladluizen

In het algemeen veroorzaken bladluizen groeistoornissen aan bladeren en scheuten van het gewas. Daarnaast kunnen zich, door afscheiding van honingdauw, roetdauwschimmels op de bladeren en vruchten ontwikkelen. Door een aantasting van bladluizen wordt de groei belemmerd en wordt de kwaliteit van het te oogsten product minder. Ook kunnen een aantal bladluizen waaronder groene perzikluis en vuilboomluis virussen overbrengen. Vuilboomluis veroorzaakt voornamelijk schade in de nazomer en herfst. Onder gunstige omstandigheden kan één bladluis per dag 5 nakomelingen produceren, die alweer na negen dagen volwassen zijn. In korte tijd kan dus een grote populatie opgebouwd worden.

 

Appelzaagwesp

De zaagwespen maken een gaatje in het vruchtbeginsel van de open bloemen en leggen daarin een eitje. Na het uitkomen vreet de rups vanuit de kelkholte een gang onder de vruchtschil van het pas gezette vruchtje en verlaat de vrucht. De vruchten met een verkurkte slinger over de vruchtschil is niets waard. Een aantasting geeft dus een kwalitatieve opbrengstderving.

 

Groene appelwants

De groene appelwants overwintert als ei. Deze wintereieren komen eind april-begin mei uit. De larven zuigen aan de jongste delen van de boom, dus aan het groeipunt en de laatstgevormde bladeren. Als de plantendelen leeggezogen zijn, zoeken ze een nieuwe scheuttop. De oudere larven steken veelal in de jonge vruchtjes en veroorzaken daarmee schade aan de vruchten. Tijdens het steken worden stoffen in de vrucht afgescheiden die de groei ter plaatse remt. Deze vruchten groeien daarom onregelmatig uit en vertonen bij de oogst kurkplekken op de vruchtschil. Een aantasting veroorzaakt dus opbrengstderving.

In de zomer verlaten de wantsen veelal de appelbomen en gaan naar de zomerwaard, bij het ontbreken van de zomerwaard kunnen de wantsen ook het gehele jaar in de appelbomen blijven.

 

Kaswittevlieg

Wittevliegen prikken de bladeren aan en nemen plantensap op. De honingdauw en de daarop groeiende roetdauw bevuilen de planten en de vruchten. Ook kan de wittevlieg virussen overbrengen. De levenscyclus bestaat uit een aantal stadia. De duur van de cyclus is temperatuursafhankelijk.

 

Wijze van bestrijding

 

Bladluizen

 

Om schade door bladluizen te voorkomen is een bestrijding nodig als er regelmatig bladluizen worden waargenomen. In voorjaar en zomer moet regelmatig op bladluizen worden gecontroleerd. Voor roze appelluis dient voor de bloei al een bestrijding uitgevoerd te worden als op meer dan 5% van de bomen aantasting wordt waargenomen.

 

Biologische bestrijding

Bladluizen hebben een aantal natuurlijke vijanden. Spontaan voorkomende natuurlijke vijanden zijn zweefvliegen, lieveheersbeestjes, sluipwespen, roofwantsen, oorwormen, gaasvliegen en roofgalmuggen. In de buitenteelten is het niet gebruikelijk om natuurlijke vijanden tegen luizen uit te zetten.

 

Chemische bestrijding

Voor de bestrijding van bladluizen staan diverse middelen ter beschikking. Imidacloprid een middel uit dezelfde groep als Calypso, is toegelaten ter bestrijding van bladluizen in appel en peer. Verder is imidacloprid ook toegelaten in vruchtgroenten, bloemisterijgewassen, in bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, boomkwekerijgewassen en vaste planten.

Andere middelen die toegelaten zijn ter bestrijding van bladluizen zijn onder andere dimethoaat, pirimicarb, triazamaat, lambda-cyhalothrin en deltamethrin.

 

Appelzaagwesp

 

Er dient een bestrijding uitgevoerd te worden aan het einde van de bloei als in de zomer van het jaar daarvoor meer dan 2% door overlopers aangetaste vruchten voorkwamen en /of tijdens de oogst meer dan 1% verkurkte slingers. Er zijn momenteel alleen middelen toegelaten ter bestrijding van appelzaagwesp op basis van imidacloprid.

 

Groene appelwants

 

Een bestrijding uitvoeren als larven worden gevonden of scheutschade wordt geconstateerd. Dit kan vastgesteld worden door kort voor en kort na de bloei een klopmonster te nemen.

Ter bestrijding van groene appelwants zijn momenteel alleen middelen op basis van imidacloprid toegelaten.

 

Kaswittevlieg

 

Biologische bestrijding

Natuurlijke vijanden van de kaswittevlieg zijn gaasvliegen, roofwantsen en sluipwespen.

Voor de teelten onder glas worden sluipwespen en roofwantsen ingezet ter bestrijding van wittevliegen. Ook kunnen voor de teelt onder glas van vruchtgroenten, bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen middelen op basis van de schimmels Verticillium lecanii en Beauveria bassiana ingezet worden ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg.

 

Chemische bestrijding

Voor de toepassing in vruchtgroenten, bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen staan verschillende middelen ter beschikking bv. middelen op basis van imidacloprid, malathion en deltamethrin. In de teelt van aardbeien zijn geen middelen beschikbaar.

 


 

Beoordeling werkzaamheid

 

Benodigd onderzoek

 

De dossiervereisten zoals vastgelegd in de Handleiding Toelating Bestrijdingsmiddelen zijn hier onverkort van kracht.

 

Proef uitvoering, richtlijnen en proefopzet

 

Opzet, uitvoering en rapportage van de proeven is overeenkomstig de vereiste richtlijnen uitgevoerd. In de gevallen waar afgeweken is van deze richtlijnen, is dit gemotiveerd. Tussen 1995 en 2000 zijn diverse proeven uitgevoerd, waarin de effecten op de diverse aantasters in verschillende gewassen, zoals rode bes, appel, boomkwekerijgewassen en aardbei zijn getoetst. De proeven zijn uitgevoerd door erkende instanties.

In tabel W.2 zijn de standaard- en referentiemiddelen aangegeven, waartegen getoetst is voor de bestrijding van de diverse aantasters.

 

Tabel W.2. Overzicht van geteste standaard- en referentiemiddelen per teelt/aantaster

Gewas

Aantaster

Standaardmiddel

Referentiemiddel(en)

Fruit

Groene appelwants

Thiacloprid

Propoxur, imidacloprid

Appel

Roze appelluis

Imidacloprid

pirimicarb

Appel

Appelzaagwesp

Thiacloprid

propoxur

Pruim

Groene kortstaartluis

Thiacloprid

pirimicarb

Aardappel

Vuilboomluis

Lambda-cyhalothrin

 

Boomkwekerij

Fytotoxiciteit

Imidacloprid

 

Aardbeien

Fytotoxiciteit

Fenbutatinoxide

pirimicarb

 

 

Effectiviteit

 

Vaststellen dosering

 

In Engeland werd onderzoek uitgevoerd met Calypso ter bestrijding van de roze appelluis. De toegepaste doseringen waren 0,0125%, 0,025% en 0,05%. De werking van 0,0125% Calypso bij een eenmalige toepassing was minder dan die van de geclaimde dosering.

In Nederland werden proeven uitgevoerd ter bestrijding van de groene appelwants, appelzaagwesp en de roze appelluis. In deze proeven werd naast de geclaimde dosering 0,025% ook 0,015% en/of 0,02% toegepast. De verschillende doseringen lagen echter veelal niet in één en dezelfde proef zodat een onderling vergelijk van de doseringen bemoeilijkt wordt.

Ter bestrijding van de groene appelwants is de werking van Calypso 0,02% minder ten opzichte van een standaardmiddel op basis van imidacloprid. Dit verschil is overigens niet altijd significant. De geclaimde dosering van Calypso heeft een werking die gelijk is aan of beter is dan de werking van het standaardmiddel op basis van imidacloprid.

Ter bestrijding van de roze appelluis is dezelfde tendens aanwezig. De werking van Calypso in een dosering van 0,015 en 0,02% is vaak minder ten opzichte van het standaardmiddel op basis van imidacloprid (niet altijd een significant verschil).

Ter bestrijding van de appelzaagwesp geeft Calypso (0,02%) een betere bestrijding dan het standaardmiddel op basis van imidacloprid.

 

De werking van Calypso in een dosering van 0,02% is minder consistent dan de geclaimde dosering van 0,025%.

Werking

 

Groene appelwants in appel en rode bes

De werking van Calypso werd vergeleken met de werking van een standaardmiddel op basis van imidacloprid. De werking van Calypso in de te claimen dosering was niet significant verschillend ten opzichte van de werking van het standaardmiddel. Ten opzichte van het onbehandelde object waren de resultaten van Calypso in zeven proeven significant beter, in drie proeven kwam het aantal wantsen in beide objecten overeen.

De tendens is aanwezig dat Calypso minder effectief is ter bestrijding van de groene appelwants ten opzichte van het standaardmiddel, dit verschil is in één proef significant. De werking van het standaardmiddel was redelijk tot goed. Ten opzichte van een middel op basis van propoxur is de werking van Calypso in vier van de tien proeven significant minder. De werking van het standaardmiddel was in twee proeven significant minder ten opzichte van die van het referentiemiddel.

 

Roze appelluis in appel

De werking van Calypso en van het standaardmiddel op basis van imidacloprid, kwam overeen. De werking van beide middelen was goed. Tot ongeveer twee maanden na de toepassing was het aantal door roze appelluizen aangetaste scheuten flink gereduceerd. In een aantal proeven werden nauwelijks aangetaste scheuten meer aangetroffen. Na ongeveer twee maanden nam het aantal door roze appelluizen aangetaste scheuten toe. Ten opzichte van het onbehandelde object waren de resultaten van de behandelingen in de meeste gevallen significant beter.

 

Appelzaagwesp in appel

De werking van Calypso werd vergeleken ten opzichte van de werking van een standaardmiddel op basis van imidacloprid. De werking van Calypso was in alle proeven goed. In het onbehandelde object kwamen significant meer zaagwespen voor dan in de behandelde objecten.

 

Groene kortstaartluis in pruim

De werking van Calypso was goed en kwam overeen met die van het standaardmiddel op basis van pirimicarb. Significante verschillen tussen de behandelingen kwamen niet naar voren.

 

Vuilboomluis in aardappel

De werking van Calypso (0,15 en 0,25 l/ha) was beter ten opzichte van het referentiemiddel op basis van lambda-cyhalothrin. De werking van de te claimen dosering 0,25 l/ha was iets beter ten opzichte van 0,15 l/ha, de verschillen tussen de doseringen zijn niet significant.

 

Conclusie werking

 

Er zijn voldoende gegevens geleverd om de werking van Calypso tegen de groene appelwants, roze appelluis, appelzaagwesp en groene kortstaartluis te beoordelen. De werking van Calypso kwam overeen met die van de standaardmiddelen. Voor vuilboomluis is het aantal geleverde gegevens minimaal, maar de werking is goed en vergelijkbaar met het standaardmiddel. Mede gezien het feit dat Calypso reeds is toegelaten voor de bestrijding van diverse bladluizen en de consistente resultaten kan op basis van deze gegevens geconcludeerd worden dat ook de werking tegen vuilboomluis voldoende is.



Schadelijke effecten

 

Fytotoxiciteit

 

In alle werkingsproeven in appel en rode bes werd een beoordeling op gewasstand en op zichtbaar residu uitgevoerd. In vier werkingsproeven uitgevoerd in 1995 en in zes werkingsproeven uitgevoerd in 1996 werden ook de appels beoordeeld op vruchtschilkwaliteit. In de werkingsproeven in pruim en aardappel werden beoordelingen gedaan aan fytotoxiciteit. In 1997 werden zes aparte fytotoxiciteitsproeven uitgevoerd, drie in appel en drie in peer. In 1999 werden selectiviteitsproeven uitgevoerd in boomkwekerijgewassen en in aardbei.

 

Appel en peer

In de uitgevoerde werkingsproeven en aparte fytotoxiciteitsproeven is geen fytotoxiciteit waargenomen in appel en peer. De groei van de bomen en de bladstand kwamen zowel bij de toepassing voor de bloei als bij de toepassing na de bloei  overeen met die van het onbehandelde object. De gegevens van de fytotoxiciteitsproeven zijn overwegend verzameld in appel, er zijn een drietal proeven uitgevoerd in peer. Het aantal proeven uitgevoerd in peer is marginaal. In geen van de proeven kwam echter fytotoxiciteit veroorzaakt door Calypso voor en de mate van vruchtschilverruwing werd niet versterkt door Calypso. Daarnaast is het aspect vruchtschilverruwing in peer minder belangrijk dan in appel.  

 

Rode bes

In de uitgevoerde werkingsproeven is geen fytotoxiciteit waargenomen in de rode bessen.

 

Boomkwekerijgewassen

Calypso veroorzaakte in de geclaimde en de 2N dosering geen zichtbaar residu. Ook het standaardmiddel op basis van imida­cloprid veroorzaakte geen zichtbaar residu. Calypso veroorzaakte in de geclaimde en de 2N dosering geen fytotoxiciteit in de onderzochte gewassen (Juniperus, Cedrus, Elaeagnus en Hydrangea). Ook het standaardmiddel op basis van imidacloprid veroorzaakte geen fytotoxiciteit.

 

Aardbei

De geclaimde dosering van Calypso veroorzaakte iets minder zichtbaar residu dan het standaardmiddel op basis van fenbutatinoxide, maar iets meer residu dan het standaardmiddel op basis van pirimicarb. De 2N dosering van Calypso veroorzaakte meer zichtbaar residu dan de geclaimde dosering. Ten opzichte van de stan­daardmiddelen geldt hetzelfde als voor de n dosering. De mate van residu veroorzaakt door Calypso is acceptabel. Er werd geen fytotoxiciteit bij het onderzochte ras Elsanta geconstateerd.

 

Pruim

Er werd in het werkingsonderzoek geen fytotoxiciteit of zichtbaar residu geconstateerd.

 

Aardappel

In de werkingsproeven zijn geen gewasreacties geconstateerd.

 

Opbrengst

 

Er werden geen opbrengstbepalingen uitgevoerd.

 

Effecten op volggewassen/vervanggewassen

 

De DT 50 van thiacloprid in de grond varieert van 3 tot 27 dagen. Gezien dit gegeven is geen effect op volggewassen te verwachten.

 

Effecten op nateelt

 

De effecten op de nateelt zullen van belang zijn voor de toepassing in pootaardappelen. In de praktijk is echter nog nooit gebleken dat een toepassing van een insecticide nadelige effecten heeft op de nateelt. Het is dan ook niet te verwachten dat een toepassing met thiacloprid wel nadelige effecten zal geven.

Effecten op de nateelt zijn niet relevant voor de beoordeling van de toepassing van Calypso als het gaat om de productieteelt van fruitteeltgewassen omdat vermeerdering over het algemeen niet plaatsvindt van bomen of planten die voor de productieteelt worden gebruikt.

Er kan geconcludeerd worden dat een toepassing van Calypso geen nadelige effecten op de nateelt zal veroorzaken.

 

Effecten op naburige gewassen

 

Er werden geen proefgegevens geleverd over de mogelijke effecten van een toepassing met Calypso op naburige gewassen. Wel werd ter onderbouwing hoofdstuk 10 over efficacy uit het Annex III dossier van thiacloprid geleverd. Deze rapportage werd opgesteld door Bayer UK.

Hierin staat vermeld dat onderzoek onder glas heeft plaatsgevonden. Zaailingen van
28 verschillende gewassen (zowel dicotyle als monocotyle planten) werden behandeld in het
1-2 bladstadium met Calypso. Calypso werd toegepast in een dosering van 432 g werkzame stof per ha, dit komt overeen met 2,4n dosering. Er werden geen effecten op de verschillende gewassen geconstateerd.

 

Conclusie schadelijke effecten

 

Er werden geen onacceptabele schadelijke effecten geconstateerd als gevolg van een gewasbehandeling met Calypso in appel, peer, rode bes, boomkwekerijgewassen, aardbei, pruim en aardappel. Er kan worden verwacht dat Calypso geen nadelige effecten op volggewassen, naburige gewassen en nateelt zal hebben.

 

Resistentie-ontwikkeling

 

Calypso is een middel op basis van thiacloprid en behoort daarmee tot de chemische  groep chloronicotinen. De stof imidacloprid behoort tot dezelfde groep.

Gezien het specifieke werkingsmechanisme van deze stoffen en het feit dat de te bestrijden organismen (bladluizen) een hoge reproductiesnelheid hebben, is de kans op resistentie aanwezig. Afwisselen met insecticiden met een ander werkingsmechanisme is daarom noodzakelijk, conform de algemene voorschriften van de Insecticide Resistance Action Committee.

 

Extrapolatiemogelijkheden

 

Conform het extrapolatiedocument "Mogelijkheden voor extrapolatie van werkzaamheid en gewasveiligheid van gewasbeschermingsmiddelen”, versie 2.0, CTB, mei 2004, zijn de volgende extrapolaties mogelijk:

Werking

 

Groene appelwants

Vanuit de onderzochte toepassing ter bestrijding van groene appelwants kan geëxtrapoleerd worden naar de toepassing in peer, kers en pruim. In deze gewassen komt groene appelwants ook voor en de ontwikkeling van de wants verloopt parallel aan die van de ontwikkeling in bes of appel. Vanuit de toepassing in rode bes kan naar de toepassing in witte bes, zwarte bes en kruisbes worden geëxtrapoleerd.

 

Bladluizen

Calypso heeft reeds een toelating in verschillende gewassen voor de bestrijding van onder andere groene perzikluis, katoenluis, aardappeltopluis en groene kortstaartluis. Verder zijn er aanvullende gegevens geleverd over de bestrijding van de groene kortstaartluis in pruim en roze appelluis in appel. Dit betekent dat er nu gegevens beschikbaar staan van Calypso ter bestrijding van verschillende bladluizen, waaronder de moeilijk te bestrijden katoenluis en roze appelluis. De resultaten waren goed en consistent.

 

In tabel W.3 staat een overzicht van bladluizen die op basis van onderzoek en extrapolatie kunnen geclaimd worden.

 

Tabel W.3 claim van plaagorganismen per gewas

Gewas

Te claimen luizen

appel

groene perzikluis, roze appelluis, appelgrasluis, fluitekruidluis, vouwgalluis, groene appeltakluis en bloedvlekkenluis

peer

groene perzikluis, roze perenluis, zwarte perenluis, vouwgalluis, zwarte bonenluis

rode bes, witte bes, zwarte bes

kleine bessenluis,  hennepnetelluis,  bloedblaarluis, groene slaluis, melkdistelluis, bessetakluis, katoenluis

braam, framboos

braam-grasluis, grote bramenluis, kleine bramenluis, grote frambozenluis, kleine frambozenluis

blauwe bes

Zwarte bonenluis, katoenluis, Fimbriaphis fimbriata

aardbei

groene perzikluis, zwarte bonenluis, katoenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, aardbeiknotshaarluis, gele bosbessenluis

kers en pruim

groene kortstaartluis, melige pruimenluis, zwarte kersenluis, hopluis, groene

perzikluis, gevlekte kortstaartluis, zwarte kortstaartluis, distelkortstaartluis, waterlelieluis

Bedekte teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat

Kaswittevlieg, groene perzikluis, katoenluis en aardappeltopluis.

boomkwekerijgewassen en vaste planten

groene perzikluis, zwarte bonenluis, aardappeltoplluis, sjalotteluis, gewone rozenluis katoenluis, groene kortstaartluis, zwarte kersenluis, groene sparreluis, japanse esdoornluis, boterbloemluis en vogelkersluis, groene appeltakluis

openbaar groen

groene perzikluis, zwarte bonenluis, aardappeltoplluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, zwarte kersenluis, groene sparreluis, japanse esdoornluis, boterbloemluis  en vogelkersluis, groene appeltakluis  

onbedekte teelt van bloembol- bloemknol- en bolbloemgewassen

 

zwarte bonenluis, katoenluis, aardappeltopluis, sjalottenluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, groene perzikluis

 

onbedekte teelt van bloemisterijgewassen

zwarte bonenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, boterbloemluis, groene perzikluis

onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten

Groene perzikluis, zwarte bonenluis, aardappeltopluis, sjalotteluis, gewone rozenluis, groene kortstaartluis, zwarte kersenluis, groene sparrenluis, japanse esdoornluis, boterbloemluis, groene appeltakluis, vogelkersluis

fabrieks-, consumptie-, pootaardappel

voorkomen zuigschade door groene perzikluis

 

hennep

groene perzikluis

 

Vuilboomluis (zuigschade)

Het onderzoek tegen vuilboomluis werd uitgevoerd in consumptieaardappel. Conform de extrapolatiemogelijkheden van het extrapolatiedocument kan dan vervolgens naar fabrieksaardappel geëxtrapoleerd worden. Zuigschade is bij pootaardappelen minder relevant omdat de teeltduur van pootaardappelen korter is en de bestrijding van bladluizen gericht is op virusbestrijding.

In pootaardappelen zal daarom niet per definitie een bestrijding uitgevoerd worden maar in een jaar met een grote druk aan luizen kan het wellicht nodig zijn om een bestrijding uit te voeren.

Twee andere middelen ter bestrijding van bladluizen hebben een toelating in pootaardappelen ter voorkoming van zuigschade veroorzaakt door bladluizen. Hiermee is een precedent geschapen  voor de toekomstige toelatingen van deze toepassing en vanuit landbouwkundig oogpunt is de extrapolatie naar pootaardappelen mogelijk.

 

Aardappeltopluis (zuigschade)

Vanuit de onderzochte toepassingen ter bestrijding van bladluizen in diverse gewassen waaronder aardappel en de huidige toelating van Calypso kan geëxtrapoleerd worden naar de bestrijding van aardappeltopluis ter voorkoming van zuigschade.

 

Larven kaswittevlieg

Vanuit de toegelaten toepassing ter bestrijding van de larven van kaswittevlieg kan geëxtrapoleerd naar de toepassing in aardbei, hennep, bedekte teelt van vruchtgroenten, onbedekte teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten en de onbedekte teelt van bloemisterijgewassen.

 

Groene perzikluis in suiker- en voederbiet

Er zijn geen gegevens geleverd over de toepassing ter voorkoming van zuigschade veroorzaakt door groene perzikluis in de teelt van suiker- en voederbiet. De werking van deze toepassing kan geëxtrapoleerd worden vanuit de onderzochte toepassingen en huidige toelating van Calypso ter bestrijding van bladluizen in diverse gewassen. 

Fytotoxiciteit

 

Rode bes

Vanuit het onderzoek uitgevoerd in rode bes kan geëxtrapoleerd worden naar de toepassing in de overige ribessoorten te weten witte bes, zwarte bes en kruisbes. Dit is mogelijk omdat er geen fytotoxiciteit of zichtbaar residu in rode bes veroorzaakt door Calypso geconstateerd is.

 

Openbaar groen

Er werden geen onaanvaardbare schadelijke effecten geconstateerd bij de toepassing in boomkwekerijgewassen. Ook in andere gewassen waarin Calypso werd beproefd of waarin Calypso reeds een toelating heeft werd geen onacceptabele gewasreactie geconstateerd. Het is dan ook te verwachten dat Calypso veilig in openbaar groen toegepast kan worden.

 

Overige gewassen

Voor een aantal geclaimde gewassen zijn geen gegevens geleverd over schadelijke effecten. In een groot aantal gewassen waaronder rode bes, appel, aardbei, bloembolgewassen en bloemisterijgewassen werd Calypso beproefd of heeft Calypso reeds een toelating, ook in situaties onder glas. Er werd nergens een onacceptabele gewasreactie geconstateerd en deze gewassen zijn over het algemeen gevoeliger of gelijk gevoelig voor fytotoxiciteit. Het is dan ook te verwachten dat Calypso ook veilig in de andere gewassen kan worden toegepast.


Conclusie werkzaamheid

 

Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat Calypso werkzaam is ter bestrijding van diverse luizensoorten, larven van de kaswittevlieg, de appelzaagwesp en de groene appelwants in de grondgebonden, bedekte teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat, de grondgebonden, bedekte en onbedekte teelt van bloembol- en bloemknolgewassen, bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen en vaste planten, teelt van appel, peer, pruim en kers, rode, witte, zwarte, blauw, logan, tay- en kruisbes, braam, framboos en aardbei  aardappelen, bieten, hennep en openbaar groen en dat de toepassing geen neveneffecten veroorzaakt op planten en plantaardige producten in een mate die niet aanvaardbaar is.

 

 

Profiel humane toxicologie

 

Thiacloprid is geplaatst op Bijlage I van de EU-Gewasbeschermingsrichtlijn (2004/99/EC,
01-10-2004). Onderstaand overzicht van de toxicologie van thiacloprid is overgenomen uit het review report bij het plaatsingsbesluit (SANCO/4347/2000-Final, 13-05-2004).

 

Impact on Human and Animal Health



Absorption, distribution, excretion and metabolism in mammals (Annex IIA, point 5.1)

Rate and extent of absorption

Rapid absorption.  Around 95% based on oral and i.v. administration at low dose levels.

Distribution

Widely distributed with the highest levels in liver and kidneys.

Potential for accumulation

No evidence of accumulation.

Rate and extent of excretion

Rapid-53-66% excreted in urine largely within 24 hours of dosing, 24-34% in faeces (i.v. administration show that faecal residues are largely due to biliary excretion).

Metabolism in animals

Extensive: oxidation, hydroxylation, opening of the thiazolidine ring and conjugation.

Toxicologically significant compounds
(animals, plants and environment)

Parent compound and metabolites.

 

Acute toxicity (Annex IIA, point 5.2)

Rat LD50 oral

Males: 621-836 mg/kg bw.

Females: 396-444 mg/kg bw.

Rat LD50 dermal

>2000 mg/kg bw.

Rat LC50 inhalation

2.535 and 1.223 mg/l in male and females, respectively (4 hour exposure/nose only).

Skin irritation

Not irritant.

Eye irritation

Not irritant.

Skin sensitization (test method used and result)

Negative in a M & K test.

 

Short term toxicity (Annex IIA, point 5.3)

Target / critical effect

Liver (enzyme induction and histopathological changes).  Thyroid (hormonal effects and histopathological changes).

Lowest relevant oral NOAEL / NOEL

100 ppm: 90-day rat study (equivalent to 7.3 mg/kg bw/day in males.

Lowest relevant dermal NOAEL / NOEL

100 mg/kg bw/day (rat).

Lowest relevant inhalation NOAEL / NOEL

0.182 mg/litre of air  (rat).

 

Genotoxicity (Annex IIA, point 5.4)

 

No genotoxic potential.

 

Long term toxicity and carcinogenicity (Annex IIA, point 5.5)

Target/critical effect

Liver (enzyme induction and histopathological changes).  Thyroid (hormonal effects and histopathological changes).

Nervous system (degeneration).

Lowest relevant NOAEL / NOEL

25 ppm (equivalent to 1.23 mg/kg bw/day).

Carcinogenicity

Thyroid adenomas in male rats.

Uterine adenocarcinomas in rats.

Ovarian luteomas in mice.

 

Reproductive toxicity (Annex IIA, point 5.6)

Reproduction target / critical effect ‡

Dystocia, reduced pup weight and viability at maternally toxic dose levels.

Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL

50 ppm: 2.7 mg/kg bw/day (rat).

Developmental target / critical effect

Reduced foetal weight increased resorptions and increased skeletal effects at maternally toxic dose levels.

Lowest relevant developmental NOAEL / NOEL

Maternal toxicity: 2 mg/kg bw/day (rabbit).

Developmental toxicity: 10 mg/kg bw/day (rabbit).

 

Neurotoxicity / Delayed neurotoxicity (Annex IIA, point 5.7)

Delayed neurotoxicity test

Not required

Acute neurotoxicity (gavage administration)

 

Short-term neurotoxicity (dietary administration).

Reduced motor and locomotive activity.

 

 

No neurotoxic effects.

 

Other toxicological studies (Annex IIA, point 5.8)                                

Metabolite data.

 

 

 

Investigations on enzyme induction/reactions.

 

 

 

 

 

 

Investigations on the reproductive findings.

M02 & M30 are less acutely toxic than parent compound: no genotoxic potential.

 

The mechanistic data indicate that hepatic enzyme induction by thiacloprid is the primary cause of the thyroid, uterine and ovarian changes. Both M30 and M34 lack the ability to induce the relevant enzymes required for these effects.

 

 

The mechanistic data indicate that there are no specific effects on birth functions.

 

Medical data (Annex IIA, point 5.9)

Thiacloprid is a new active substance.

Limited data

 

 

Summary (Annex IIA, point 5.10)

Value

Study

Safety factor

ADI

0.01 mg/kg bw/day.

2-year rat study

100

AOEL

0.02 mg/kg bw/day.

Rabbit developmental study (maternal toxicity).

100

ARfD (acute reference dose)

 

0.03 mg/kg bw/day.

Acute neurotoxicity study (rat).

100

 

Dermal absorption (Annex IIIA, point 7.3)

Concentrate

 

 

In use dilution

1% based on in vitro data (human epidermal membranes) and supported by in vivo data (primate study).

 

10% based on in vitro data (human epidermal membranes) and supported by in vivo data (primate study).

 

Ontbrekende gegevens werkzame stof thiacloprid

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Formulering

 

De formulering Calypso is een suspensieconcentraat en bevat 480 gram werkzame stof per liter.

Formuleringstoxicologie

De formulering dient op basis van de acuut orale toxiciteit (300 < LD50, rat < 500 mg/kg lg) geclassificeerd te worden als ‘schadelijk bij opname door de mond’.

De formulering behoeft geen classificatie voor acuut dermale toxiciteit [LD50 rat >
4000 mg/kg lg].

De formulering dient op basis van acuut inhalatoire toxiciteit (LC 50 1-2 mg/l) als schadelijk bij inhalatie geclassificeerd te worden.

De formulering is niet irriterend voor de huid en ogen, derhalve behoeft de formulering niet geclassificeerd te worden.

De formulering was negatief in een Buehler test voor huidsensibilisatie bij de cavia, maar positief in een maximisatie studie; dienten­gevolge behoeft de formulering classificatie als: Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid..

 

 

Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig/re-entry)

 

De risicobeoordeling voor de toepasser is gebaseerd op de eindpuntenlijst bij het plaatsingsbesluit en de in Nederland aangevraagde toepassingen.

Overzicht toepassingen

 

Calypso is bedoeld voor beroepsmatige toepassing. De toepassing van Calypso  in de  teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen, boomkwekerij­gewassen, vaste planten, tomaat, aubergine, komkommer, courgette, augurk, pattison, paprika en peper onder glas kan gedurende een groot deel van het jaar plaatsvinden. Standaard betreft het 1-3 toepassingen per jaar met een worst case voor sommige teelten van 4 keer per teeltseizoen met intervallen van 7-10 dagen. Om de kans op verminderde gevoeligheid te beperken, wordt aanbevolen om af te wisselen met insecticiden met een ander werkingsmechanisme. De maximale blootstellingsperiode per teeltseizoen is derhalve 30 dagen. Bij toepassingen onder glas wordt niet gewerkt met loonwerkers. Gezien de periode en de frequentie van de blootstelling en de snelle uitscheiding van thiacloprid, kan voor de toepasser worden uitgegaan van semi-chronische blootstelling.

Voor de re-entry werkzaamheden in de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen, vaste planten, tomaat, aubergine, komkommer, courgette, augurk, pattison, paprika en Spaanse peper onder glas wordt ook uitgegaan van semi-chronische blootstelling aangezien blootstelling weliswaar frequenter is, maar de blootstellingsperiode niet boven de drie maanden per teeltseizoen komt.

 

Afleiden AOEL

In de EU is voor thiacloprid een systemische AOEL van 0,02 mg/kg lg/d (1,4 mg/d voor een toepasser van 70 kg) vastgesteld, gebaseerd op de NOAEL voor moederdieren in de teratogeniteitsstudie met het konijn (2 mg/kg lg/d) en een veiligheidsfactor 100. Deze AOEL is bedoeld voor semi-chronische blootstelling.

 

Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices

In onderstaande Tabel T.1 wordt aangegeven hoe de geschatte dermale en inhalatoire blootstelling aan thiacloprid bij gebruik van Calypso zich verhoudt tot de AOEL voor systemische toxiciteit. Hierbij is voor het berekenen van de systemische blootstelling bij verspuiten uitgegaan van een dermale absorptie van 10% en 100% absorptie na inhalatie, omdat het model geen onderscheid maakt tussen diverse werkzaamheden.  Voor de druppelbehandeling is een dermale absorptie van 1% aangehouden omdat hier uitsluitend mengen/laden wordt doorgerekend. Bij druppelbehandeling is de blootstelling bij toepassen verwaarloosbaar.

Bedacht dient te worden dat degene die mengt en laadt meestal ook toepast. Voor de totale blootstelling dienen de dermale en inhala­toire blootstelling te worden opgeteld.

De blootstellingsschattingen uit de eerdere beoordeling (C-133.3.4 d.d 14 mei 2003) zijn aangepast aan de huidige maximaal geadviseerde spuitvolumina.

 

Herregistratie

 

Tabel T.1a Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan thiacloprid bij gebruik van Calypso, via dermale en inhalatoire route

 

 

Route

Geschatte blootstelling  (mg /dag)

AOEL

(mg/dag)

Risico-index

 

In de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen , boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas.

 

Mengen/laden en toepassen1

 

 

Inhalatoir

0,12

1,4

0,09

 

 

Dermaal

2,40

1,4

1,71

 

 

Totaal

2,52

1,4

1,80

In de teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, peper en tomaat onder glas

 

Mengen/laden en toepassen1

 

 

Inhalatoir

0,18

1,4

0,13

 

 

Dermaal

3,60

1,4

2,57

 

 

Totaal

3,78

1,4

2,70

Als druppelbehandeling in de teelt onder glas van paprika, aubergine, peper en  tomaat

 

Mengen/laden2

 

 

 

 

 

Inhalatoir

<0,01

1,4

<0,01

 

 

Dermaal

0,03

1,4

0,02

 

Toepassen

 

 

 

 

 

Inhalatoir

*

1,4

 

 

 

Dermaal

*

1,4

 

 

 

Totaal

0,03

1,4

0,02

 

Herbetreding in de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen , boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas.

 

 

Inhalatoir

0,04

1,4

0,03

 

 

Dermaal

1,08

1,4

0,77

 

 

Totaal

1,12

1,4

0,80

 

Herbetreding in de teelt van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, peper en tomaat onder glas

 

 

Inhalatoir

0,06

1,4

0,04

 

 

Dermaal

1,62

1,4

1,16

 

 

Totaal

1,68

1,4

1,20

1 Blootstelling is geschat met behulp van het Nederlandse kasmodel

2 Blootstelling is geschat met EUROPOEM

* Blootstelling verwaarloosbaar

 

 

Uitbreidingsaanvraag

 

Tabel T.1b Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan thiacloprid bij gebruik van Calypso, via dermale en inhalatoire route

 

 

Route

Geschatte blootstelling  (mg /dag)

AOEL

(mg/dag)

Risico-index

 

In de teelt van aardappelen, bieten, hennep, aardbeien, bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen , boomkwekerijgewassen en vaste planten volvelds.2

 

Mengen/laden

 

 

Inhalatoir

0,01

1,4

<0,01

 

 

Dermaal

0,24

1,4

0,17

 

Toepassen (machinaal neerwaarts)

 

 

 

 

Inhalatoir

0,01

1,4

0,01

 

 

Dermaal

0,36

1,4

0,26

 

 

Totaal

0,62

1,4

0,44

In de teelt van appel, peer, pruim en kers.2

 

Mengen/laden

 

 

Inhalatoir

0,01

1,4

<0,01

 

 

Dermaal

0,22

1,4

0,16

 

Toepassen (machinaal opwaarts)

 

 

 

 

Inhalatoir

0,03

1,4

0,02

 

 

Dermaal

8,21

1,4

5,86

 

 

Totaal

8,45

1,4

6,04

 

In de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen , boomkwekerijgewassen, vaste planten, rode witte zwarte en blauwe bes, braam, framboos loganbes en  taybes volvelds en aardbeien onder glas, hennep onder glas alsmede in openbaar groen.1

 

Mengen/laden en toepassen (handmatig)

 

 

Inhalatoir

0,12

1,4

0,09

 

 

Dermaal

2,40

1,4

1,71

 

 

Totaal

2,52

1,4

1,80

 

Herbetreding In de teelt van bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, gladiolen, bloemisterijgewassen , boomkwekerijgewassen, vaste planten, rode witte zwarte en blauwe bes, braam, framboos loganbes en taybes volvelds en aardbeien (volvelds en onder glas) en hennep onder glas .

 

 

Inhalatoir

0,04

1,4

0,03

 

 

Dermaal

1,08

1,4

0,77

 

 

Totaal

1,12

1,4

0,80

 

Herbetreding in de teelt van appel, peer, pruimen kers3

 

 

Inhalatoir

**

1,4

<0,01

 

 

Dermaal

0,025

1,4

0,02

 

 

Totaal

0,025

1,4

0,02

1 Blootstelling is geschat met behulp van het Nederlands kasmodel.

2 Blootstelling is geschat met EUROPOEM

3 Blootstelling is geschat met het Dislogeable Foliar Residue model.

* Blootstelling verwaarloosbaar

** Geen model beschikbaar, blootstelling is naar verwachting slechts een fractie van de dermale blootstelling.

 

Conclusie met betrekking tot het risico voor de toepasser

 

Als gevolg van deze risicobeoordeling wordt voor geen enkele van de geclaimde toepassingen van Calypso een risico voor de gezondheid van de toepasser/werker ingeschat als gevolg van blootstelling aan thiacloprid via de inhalatoire route bij mengen/laden, toepassen en werkzaamheden in behandeld gewas (re-enry) bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing.

 

Bij onbeschermd gebruik van Calypso in bovengenoemde teelten kunnen nadelige gezondheidseffecten niet worden uitgesloten als gevolg van dermale blootstelling aan thiacloprid bij mengen/laden en toepassen. Arbeidshygiënisch verantwoord gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen) kan de dermale blootstelling met ca. een factor 10 reduceren. Dit zal voor deze toepassingen afdoende reductie opleveren.

 

Bij onbeschermd werken aan met Calypso behandeld gewas in een deel van bovengenoemde teelten is de risico index voor dermale blootstelling 1,16. Dit is niet significant verschillend van 1. Mede gezien de worst case aannames in de risicobeoordeling wordt het voorschrijven van persoonlijke beschermingmiddelen niet nodig geacht bij herbetreding.

 

Onzekerheden

 

Er zijn geen onzekerheden.

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

Thiacloprid is op bijlage 1 van richtlijn 91/414/EEG geplaatst op 1 januari 2005 (richtlijn 2004/99/EEG). De residugegevens van thiacloprid zijn gebaseerd op de laatste eindpuntenlijst (februari 2004) voor de plaatsing op bijlage I van richtlijn 91/414/EEG, de monografie, het addendum op de monografie en de risicobeoordeling voor de volksgezondheid opgesteld door TNO (rapport nr: 01-21-D-351/2, januari 2002). Er zijn geen (provisional) EU-MRL’s opgesteld door de WGPR voor thiacloprid.

 

Overzicht toepassingen

 

Herregistratie

De formulering Calypso bevat als actieve stof 480 gram thiacloprid per liter. Het betreft een herregistratie in de teelt van aubergine, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat. De “Good Agricultural Practice” (GAP) voor de spuittoepassing in tomaat, paprika, aubergine en Spaanse peper is meer kritisch dan de GAP voor druppelirrigatie. De meest kritische GAP is : 0,18 kg w.s./ha, maximaal 4 toepassingen met een interval van
7 dagen. De PHI bedraagt 3 dagen.

De meest kritische GAP in de teelt van komkommer, augurken en courgettes is gelijk aan die van tomaat, paprika, aubergine en Spaanse peper, behalve wat betreft de dosering:
0,12 kg w.s/ha.



Uitbreiding

Het betreft een uitbreiding in de fruitteelt van appels, peren, pruimen en kersen; rode-, witte-, zwarte,- blauwe en kruisbes; loganbes, taybes, braam en framboos; aardbeien; en de teelt van aardappelen (fabrieks-, consumptie- en poot-), suiker- en voederbieten

De kritische GAP voor pruim en kers is : 0,012 kg w.s./hL, maximaal 2 toepassingen met een interval van 14 dagen. De PHI bedraagt 14 dagen.

De kritische GAP in de teelt van aardbei onder glas is : 0,144 kg w.s./ha, maximaal
2 toepassingen met een interval van 7 dagen. De PHI bedraagt 1 dag.

De kritische GAP in de teelt van aardbei volvelds is : 0,12 kg w.s./ha, maximaal
2 toepassingen met een interval van 7 dagen. De PHI bedraagt 3 dagen.

De kritische GAP in de teelt van rode-, witte-, zwarte,- blauwe-, en kruisbes en loganbes, taybes, braam en framboos is: 0,144 kg w.s./ha, maximaal 3 toepassingen met een onbekende interval. De PHI bedraagt 3 dagen.

De kritische GAP in de teelt van aardappel is : 0,12 kg w.s./ha, maximaal 3 toepassingen met een interval van 14 dagen. De PHI bedraagt 14 dagen.

De kritische GAP in de teelt van suiker- en voederbiet is : 0,12 kg w.s./ha, maximaal
2 toepassingen met een interval van 21 dagen. De PHI bedraagt 35 dagen.


Tevens wordt een aanpassing van de PHI aangevraagd voor de spuittoepassing in tomaat, paprika, aubergine, Spaanse peper, komkommer, augurken en courgettes van 3 naar
0 dagen en voor druppelirrigatie in paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat van
3 dagen naar 1 dag.


Residues

Metabolism in plants (Annex IIA, point 6.1 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Plant groups covered

Apples, tomatoes, cotton

Rotational crops

Lettuce, turnip and wheat

Plant residue definition for monitoring

Thiachloprid

Plant residue definition for risk assessment

Thiachloprid

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

None

 

Metabolism in livestock (Annex IIA, point 6.2 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Animals covered

Goats and hens

Animal residue definition for monitoring

Thiachloprid

Animal residue definition for risk assessment

Thiachloprid

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

None

Metabolism in rat and ruminant similar (yes/no)

Yes

Fat soluble residue: (yes/no)

No (based on log pow)

 

Residues in succeeding crops (Annex IIA, point 6.6, Annex IIIA, point 8.5)

 

 

No data were submitted or required, due to residues of parent and individual metabolites in rotational crops being less than 0.1 mg/kg, with the exception of metabolites M30, M37, M02 and M34 in the wheat study.  However these metabolites were not considered to be of toxicological concern.

 

Stability of residues (Annex IIA, point 6 introduction, Annex IIIA, point 8 introduction)

 

 

Residues of thiachloprid in apple, tomato and melon peel were stable for up to 18 months, when stored at <-18°C.

 

Residues from livestock feeding studies (Annex IIA, point 6.4, Annex IIIA, point 8.3)

Intakes by ruminants were ³ 0.1 mg/kg diet/day:

Ruminant:

yes

Poultry:

no

Pig:

no

Muscle

<0.01

 

 

Liver

0.04

 

 

Kidney

0.01

 

 

Fat

<0.01

 

 

Milk

<0.01

 

 

Eggs

-

 

 

 

Processing factors (Annex IIA, point 6.5, Annex IIIA, point 8.4)

Cop/processed crop

 

Number of studies

Transfer factor

Apple

Juice

Wet pomace

Dry pomace

Sauce

Washed fruit

Dried fruit

2

 

0.3

3.3

6.5

0.7

0.8

0.5

Peach

Washed fruit

Preserves

3

 

0.7

<0.2

Tomato

Washed fruit

Peeled fruit

Paste

Juice

Preserves

2

 

0.7

0.3

2.6

0.6

0.5

Melons and watermelons

Pulp

Peel

8

 

<0.3

4

* Calculated on the basis of distribution in the different portions, parts or products as determined through balance studies

 

Proposed MRLs (Annex IIA, point 6.7, Annex IIIA, point 8.6)

Commodity

Apple

Pear

Peach

Apricot

Tomato

Aubergine

Pepper

Cucumber

Courgette

Melon

Watermelon

Milk

Meat (ex poultry)

Fat

Kidney

Liver

Proposed MRLs

0.5

0.5

0.2

0.2

0.5

0.5

0.5

0.2

0.2

0.1

0.1

0.01

0.05*

0.05*

0.05*

0.05

*An MRL of 0.05 mg/kg has been proposed, to aid routine monitoring and enforcement of the MRL.

An MRL for poultry products was not set due to the chicken metabolism study indicating that residues in poultry product would not be significant (< 0.01 mg/kg).

 

Herregistratie

 

Residustudies

 

Er zijn 8 residustudies met tomaat beschikbaar in de monografie voor thiacloprid. De proeven voldoen aan de cGAP-NL. Uit deze studies is de MRL voor aubergine geëxtrapoleerd.

Er zijn 8 residuproeven in 2 seizoenen met paprika onder glas beschikbaar, eveneens in de monografie opgenomen, die voldoen aan cGAP-NL. Deze studies kunnen gebruikt worden voor extrapolatie naar peper.

Er zijn 12 residustudies in 2 seizoenen beschikbaar met komkommer. In de studies is
15-35% hoger gedoseerd dan volgens cGAP-NL zou moeten. Omdat 8 van de residustudies zijn opgenomen in de monografie, en deze uiteindelijk gebruikt zullen worden om de geharmoniseerde EU-MRL's van af te leiden, zijn deze studies toch gebruikt om NL-MRL's af te leiden. MRL's voor courgettes, augurken en pattison worden geëxtrapoleerd uit de gegevens voor komkommer.

De cGAP-NL is meer kritisch dan de cGAP in de monografie.

 

Er zijn tevens 8 studies beschikbaar met druppelbehandeling van tomaten en 8 met paprika, geleverd voor de toelating van Calypso, in een concentratie van 0,2%
(0,002 ml/plant = 10 mg/plant). Bij druppelbehandeling wordt thiacloprid opgenomen door de wortels en komt het systemisch beschikbaar in de plant. In deze studies is slechts
1 maal gedoseerd, zij het in een 3 maal hogere concentratie. In de onderhavige studies worden geen of nauwelijks (< 0,03 mg/kg) residuen gevonden. In zijn algemeenheid wordt druppelbehandeling niet als kritische toepassing beschouwd, omdat de stof niet rechtstreeks op de vrucht terecht komt zoals bij spuiten. Aangezien ook bij de toepassing van thiacloprid in de geleverde residuproeven met druppelbehandeling nauwelijks detecteerbare residuen worden waargenomen, wordt aangenomen dat de af te leiden MRL uit de spuitproeven tevens geldt voor druppelbehandeling.

 

Afleiden MRL’s/STMR’s

 

In onderstaande tabel zijn de voorlopige EU-MRL's opgenomen, zoals deze zijn voorgesteld in de EU-monografie en de MRLs zoals berekend aan de hand van de residustudies die voldoen aan NL-GAP. Alle MRLs zijn uitgedrukt als thiacloprid.

 

Tabel T.2    Voorlopige EU-MRL’s

 

Gewasgroep

 

Gewas

EU-MRL

In mg/kg

NL commentaar

MRL in mg/kg

Pitvruchten

Appels

Peren

0,5

0,5

0,3

0,3

Steenvruchten

Perziken

Abrikozen

Kersen1

0,2

0,2

-

0,3

0,3

0,3

Vruchtgroenten; Solanacea

Tomaten

Aubergines

Pepers

Paprika

0,5

0,5

-

0,5

0,5

0,5

1,0

1,0

Vruchtgroenten; Cucurbitaceae met eetbare schil

Komkommers

Courgettes

augurk

pattison

0,2

0,2

0,2

0,2

0,3

0,3

0,3

0,3

Vruchtgroenten; Cucurbitaceae zonder eetbare schil

Meloenen

Watermeloenen

0,1

0,1

0,2

0,2

Producten van dierlijke oorsprong 2

Melk

Vlees (excl. Kipproducten)

Vet

Nieren

Lever

0,01*

0,05*

0,05*

0,05*

0,05*

0,01*

0,05*

0,05*

0,05*

0,05*

1 Kersen zijn niet aangevraagd in de EU

2 Het dient te worden opgemerkt dat de MRLs voor producten van dierlijke oorsprong, met uitzondering van melk, zijn gebaseerd op de LOD van de voorgestelde analysemethode.

 

Calypso is in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing toegelaten met een PHI van 3 dagen voor tomaat, aubergine, komkommer, courgette, augurk, pattison, paprika en peper voor de verschillende toepassingen.

Op basis van de gegevens uit een diervoederstudie en de theoreti­sche maximale residuop­name door landbouwhuisdieren zijn de bovenstaande NL-MRL's vastge­steld.

Afleiden ADI en ARfD

 

De meest kritische NOAEL voor stof bedraagt 1,23 mg/kg lg/dag en is gebaseerd op de
2-jaar studie met thiacloprid bij de rat. Gebruik makend van een veiligheidsfactor van 100 wordt de ADI vastgesteld op 0,01 mg/kg lg/dag.

De ARfD voor thiacloprid is vastgesteld op 0,03 mg/kg lg/dag, gebaseerd op de acute neurotoxiciteitstudie bij de rat.

 

Dieetberekening

 

Chronische dieetberekening


Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens en bovenstaande MRL’s voorlopige EU-MRL’s en MRLs in de Regeling Residuen. Waar er twee verschillende MRL’s gelden voor één gewas vanwege verschil tussen de voorlopige EU-MRL en de Nederlandse, is de hoogste waarde genomen bij wijze van “worst case” benadering.

De TMDI berekening laat zien dat de theoretische maximale residu-inname (TMDI) 12,1% en 44,6% van de ADI inneemt voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen
1-6 jaar.

 

Acute dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de voorgestelde ARfD werden NESTI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens (‘large portion sizes’; 97,5 percentiel uit consumptie data), ‘unit weights’ uit Groot Britannië en bovenstaande voorlopige EU-MRL’s.
De NESTI berekening laat zien dat de theoretische maximale residu-inname (TMDI) 20,7% en 38,7% van de ARfD inneemt voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen 1-6 jaar.

 

Conclusie

 

Gezien het bovenstaande wordt het risico voor de volksgezondheid vooralsnog verwaarloosbaar geacht.

Uitbreiding

 

Metabolisme en residugedrag, planten

 

Er is een aanvullende metabolismestudie in tarwe geleverd met spuittoepassing van thiacloprid dat net als de eerdere metabolismeproeven welke in de monografie genoemd worden alleen in de 3‑methyl-C van de pyridylmethyl groep gelabeld was. In hooi, stro en tarwe bleek >80% van het residu moederstof, en < 4% residu waarbij de methylbrug verbroken was.

 

Metabolismeproeven dienen in relevante gewasgroepen (fruit, graan, peulvruchten en oliehoudende zaden, wortelgroenten of bladgroenten) worden uitgevoerd. Tarwe is geen relevante gewasgroep voor aardappels en suiker‑ en voederbieten. Het metabolisme schema van thiacloprid in tarwe is vergelijkbaar met dat in tomaat en appel, en in zekere mate ook met dat in katoenplanten. Om te extrapoleren naar alle gewassen is voldaan is aan de eis van drie metabolismestudies in 3 verschillende gewasgroepen, maar niet aan de eis het molecuul in alle relevante delen te labelen, in dit geval in beide ringen, zodat alle degradatieproducten zo goed mogelijk gevolgd kunnen worden. Ook komen de residuen die gevonden worden in de verschillende plantendelen, niet met elkaar overeen. De belangrijkste component in direct-blootgestelde delen van de plant is moederstof. Uit de identificatie van residuen in katoenzaad blijkt dat in niet-direct blootgestelde delen van de plant moederstof nauwelijks voorkomt en dat de belangrijkste component 6‑CNA is, en mogelijk ook metabolieten die alleen de thiazolidine-ring bevatten. Omdat de thiazolidine-ring niet gelabeld was, is geen enkele informatie verkregen over hoe residuen die alleen de thiazolidine-ring bevatten, zich in de plant gedragen en in welke vorm ze voorkomen.

 

Omdat ook aardappels en suiker‑ en voederbieten niet-direct blootgesteld worden aan bespuiting, wordt weinig moederstof verwacht en zal het voornaamste residu bestaan uit metabolieten waarbij de brug tussen de pyridine‑ en de thiazolidine-ring verbroken is. Het residu in deze gewassen zal dus niet gemeten worden als alleen moederstof wordt bepaald. In de residuproeven met aardappels is wel ook een analysemethode gebruikt waarmee het totaal aan residu dat een 6‑chloorpyridine-ring bevat is gemeten. Hoewel de methode niet volledig gevalideerd is, kan wel een indruk gekregen worden van het totaal aan 6‑chloorpyridine-houdende hoeveelheid residu. Er werd geen residu (<0,05 mg/kg) gevonden in aardappels 0 en 21 dagen na de laatste van 3 toepassingen. Er is echter geen zicht op of, en zo ja in welke mate en vorm, residuen van metabolieten die alleen de thiazolidine-ring bevatten zich in aardappels, suiker‑ en voederbieten bevinden.

 

Alleen als aangetoond wordt dat er geen significante residuen met alleen de thiazolidine‑ of pyridine-ring te verwachten zijn in wortel‑ en knolgewassen, kan de huidige residudefinitie (alleen moederstof) gehandhaafd worden. 

 

Het metabolismeschema zoals dat tot nu toe verondersteld wordt, is weergegeven in Figuur A (zie volgende pagina). Merk op dat eventuele metabolieten die ontstaan uit het thiazolidine-deel van residu waarvan de methylbrug verbroken wordt, in het schema ontbreken.

 

Conclusie

 

Er moet nog een metabolisme proef in een wortel‑ of knolgewas, bij voorkeur aardappel, met het label in zowel de pyridine‑ als de thiazolidine-ring van thiacloprid worden uitgevoerd. Voorlopig blijft de residudefinitie gehandhaafd, maar mocht uit de nieuwe metabolismeproef blijken dat significante residuen met thiazolidine-ring houdende metabolieten in aardappels of suiker‑ of voederbieten te verwachten zijn, moet de residudefinitie aangepast worden en moeten nieuwe residuproeven in deze gewassen worden uitgevoerd.



-Figuur A  Voorgesteld metabolisme schema van thiacloprid in planten, zie volgende pagina-
Figuur A          Voorgesteld metabolisme schema van thiacloprid in planten.

 

C* = C-atoom waar het label zich bevindt in de uitgevoerde metabolismestudies.          

Voor verklaring codes, zie volgende bladzijde.

 

Tekstvak: Legenda bij Figuur A:
Code	Naam	Afkorting
YRC 2894M01M02M03M04M05M25M30M32M36M37M38M39M40	thiacloprid4-OH-thiaclopridthiacloprid-amide 6-chloronicotinic acid6-chloropicolylalcohol-glucoside6-chloropicolylalcohol-complex glucosidethiacloprid hydroxyethyl diamide thiacloprid sulfonic acid thiacloprid diamide6-chloropicolyl alcohol4-OH-thiacloprid-amidethiacloprid olefine6-CPA-glucosylpentoside6-CPA-glucosylphosphate/sulfate	6-CNA6-CPA
 


Residuanalyse in residuproeven

 

De definitie van het residu van thiacloprid zoals die nu wordt gehanteerd in Nederland is:

Thiacloprid, uitgedrukt als thiacloprid.

Gehanteerde bepalingsgrens: 0,02 mg/kg.

 

Door het ontbreken van een metabolismestudie in een wortel‑ of knolgewas is nog niet duidelijk of de residudefinitie ook voor aardappels en suiker‑ en voederbieten volstaat. Alleen als aangetoond wordt dat er geen significante residuen met alleen de thiazolidine‑ of pyridine-ring te verwachten zijn in wortel‑ en knolgewassen, kan de huidige residudefinitie (alleen moederstof) gehandhaafd worden. In afwachting van deze gegevens blijft de residudefinitie voorlopig ongewijzigd. De residudefinitie geldt zowel voor plantaardige als dierlijke producten, en zowel voor de handhaving als voor de risicoschatting.

Proeven met hoge bomen zoals kersen en pruimen worden geselecteerd op basis van het kg w.s./hL criterium en niet op basis van het kg ws/ha criterium, omdat de toepassing afhankelijk is van het oppervlak en/of volume van de boom. Bij de overige gewassen wordt bij de selectie naar kg ws/ha gekeken.  

In alle gewassen is methode 00548 gebruikt voor analyse van thiacloprid in residuproeven. Er is geen volledige validatie van deze methode aangeleverd. Een volledige validatie van de analysemethode is vereist. De voorstellen voor MRL’s zijn door het ontbreken van de validatie slechts voorlopig, evenals de berekening van de risicoschatting.

 

Residuproeven

 

Kers

Kersen vallen in Noord-Europa onder de “minor crops”, wat betekent dat er minimaal 4 residuproeven nodig zijn voor het berekenen van een MRL. Echter om te extrapoleren naar de hele groep van kersen zijn 8 studies vereist, 4 in zure, en 4 in zoete kers. Er zijn
8 studies beschikbaar met kersen, 4 in zure kers en 4 in zoete kers, die alle voldoen aan de GAP-NL. De hoogte van het residu direct na toepassen is vergelijkbaar in beide gewassen, maar na 14 dagen zijn de residuen in zure kers duidelijk lager (<0,02 mg/kg, 0,02 mg/kg,
0,03 mg/kg en 0,04 mg/kg) dan de residuen die in zoete kers gemeten worden (0,06 mg/kg, 0,10 mg/kg, 0,11 mg/kg en 0,15 mg/kg). Hoewel de residuen niet vergelijkbaar zijn, wordt geëxtrapoleerd naar de hele groep kersen, maar de MRL wordt voorgesteld op basis van de subgroep met het hoogste residu, in dit geval de zoete kers.

 

Pruim

Pruimen vallen in Noord-Europa onder de “major crops”, wat betekent dat er minimaal 8 residuproeven nodig zijn voor het berekenen van een MRL. Er zijn 8 studies beschikbaar met pruimen, die alle voldoen aan de GAP-NL. Er zijn daarom voldoende proeven geleverd. De gevonden residuwaarden zijn: <0,02 mg/kg (3´), 0,02 mg/kg (2x), 0,03 mg/kg (2x) en 0,05 mg/kg.

 

Aardbei

Calypso wordt aangevraagd voor toelating voor gebruik in de teelt van aardbeien in volle grond en in kassen. Aardbeien vallen in Noord-Europa onder de “major crops”, wat betekent dat er voor het berekenen van een MRL minimaal 8 residuproeven nodig zijn voor aardbeien in kassen, en nog eens 8 proeven voor aardbeien geteeld in volle grond. Omdat er alleen proeven met 2 in plaats van 3 toepassingen waren, heeft de aanvrager ingestemd met het aanpassen van het concept WG/GA naar 2 toepassingen voor aardbeien.

 

Er zijn 16 studies beschikbaar met aardbeien (8 in volle grond, en 8 in kassen) die alle voldoen aan de GAP-NL. De proeven in kassen zijn niet allemaal in Noord-Europa uitgevoerd maar ook 4 in Zuid-Europa. Dat is voor proeven onder glas niet erg als het residu voldoende fotostabiel is. De fotochemische halfwaardetijd van thiacloprid is
80 dagen, waardoor afbraak door licht in 1 dag (de PHI) verwaarloosbaar is. Vandaar dat de residuen uit kasproeven in Zuid-Europa in dit geval ook gebruikt mogen worden.

De residuen in aardbeien geteeld in kassen en met een PHI van 1 dag bevatten duidelijk meer residu (0,04 mg/kg, 0,05 mg/kg, 0,13 mg/kg, 0,22 mg/kg, 0,31 mg/kg(3x), 0,33 mg/kg) dan de aardbeien geteeld in volle grond en met een PHI van 3 dagen (0,02 mg/kg,
0,03 mg/kg, 0,04 mg/kg, 0,07 mg/kg (2x), 0,08 mg/kg (2x), 0,09 mg/kg). De MRL zal dus afgeleid worden van de residuen uit proeven met aardbeien die in kassen geteeld zijn.

 

Rubussoorten: loganbes, taybes, braam en framboos

Deze gewassen zijn in Noord-Europa “minor crops”, wat betekent dat er voor het berekenen van een MRL per gewas minimaal 4 residuproeven nodig zijn. Als er minimaal 8 proeven uitgevoerd zijn in rubussoorten, waarvan minimaal 4 in framboos, mag geëxtrapoleerd worden naar de hele groep. Er zijn 8 studies beschikbaar met frambozen geteeld in volle grond die alle voldoen aan de GAP-NL. Met 8 proeven uitgevoerd in frambozen is er voldaan aan de voorwaarden voor extrapolatie naar de hele groep, zodat de MRL, STMR en HR kunnen gelden voor alle rubussoorten waarvoor toelating van Calypso is aangevraagd. De gevonden residuwaarden zijn: 0,10 mg/kg, 0,15 mg/kg (2´), 0,27 mg/kg, 0,31 mg/kg,
0,34 mg/kg (2x), 0,62 mg/kg.

 

In het WG/GA wordt geen onderscheid gemaakt of de toepassing in teelt van rubussoorten in de bedekte en/of onbedekte teelt plaats dient te vinden. Uit proeven in aardbeien blijkt dat de residuen in aardbeien die geteeld zijn in kassen hoger zijn dan in aardbeien geteeld in volle grond bij eenzelfde dosering per hectare, ook als gekeken wordt naar residuen op dezelfde PHI-dag. Er zijn geen proeven aangeleverd om de aanvraag voor gebruik van Calypso in de teelt van rubussoorten in kassen te ondersteunen. Daarom dient in het WG/GA vermeld te worden dat de toepassing op rubussoorten uitsluitend in onbedekte teelt mag plaatsvinden.

 

Besvruchten: Rode, witte en zwarte aalbes, blauwe bes en kruisbes

Rode, witte en zwarte aalbes, blauwe bes en kruisbes zijn in Noord-Europa “minor crops”, wat betekent dat er voor het berekenen van een MRL per gewas minimaal 4 residuproeven nodig zijn. Als er minimaal 8 proeven uitgevoerd zijn in besvruchten, waarvan minimaal 4 in zwarte aalbes, mag geëxtrapoleerd worden naar de hele groep. De aanvraag betreft gebruik van Calypso op besvruchten in volle grond.

Er zijn 8 studies beschikbaar in bessen, waarvan 4 in rode, en 4 in zwarte aalbessen, geteeld in volle grond, die alle voldoen aan de GAP-NL. De residuen zijn vergelijkbaar en met 4 proeven uitgevoerd in rode, en 4 in zwarte aalbessen is er voldaan aan de voorwaarden voor extrapolatie naar de hele groep van besvruchten. De gevonden residuwaarden zijn: 0,08 mg/kg, 0,16 mg/kg, 0,21 mg/kg (2´), 0,28 mg/kg, 0,35 mg/kg,
0,59 mg/kg.

Er dient echter in het WG/GA opgenomen te worden dat toepassing alleen in onbedekte teelt mag plaatsvinden.

 

Aardappel

Aardappel is in Noord-Europa een “major crop”, wat betekent dat er voor het berekenen van een MRL minimaal 8 residuproeven nodig zijn. Het meest kritische toegelaten gebruik van thiacloprid voor aardappels is 0,12 ±25% (=0,09-0,15) kg as/ha, met 3 toepassingen en een PHI van 14 dagen.

Er zijn 8 studies beschikbaar in aardappels waarbij de wachttermijn 21 dagen was in plaats van 14. Residuen zijn echter ook op dag 0 gemeten (direct voor en/of direct na de derde behandeling), wat 14 dagen na de tweede behandeling is en op dat moment werden geen residuen boven de LOQ van 0,02 mg/kg gevonden. Als blijkt dat de residudefinitie niet aangepast hoeft te worden, is er dus sprake van een non-residu situatie in aardappels 14 dagen va de tweede behandeling, en ook 14 dagen na de derde behandeling wordt dan geen residu in aardappels verwacht (want er treedt geen cumulatie op).

 

Suiker‑ en voederbiet

Suiker‑ en voederbieten zijn in Noord-Europa “major crops”, wat betekent dat er minimaal 8 residuproeven nodig zijn. Extrapoleren van suikerbiet naar voederbiet mag. Omdat er alleen proeven met 2 in plaats van 3 toepassingen waren, heeft de aanvrager ingestemd met het aanpassen van het concept WG/GA naar 2 toepassingen. Er zijn 8 studies beschikbaar in suikerbieten die alle voldoen aan de GAP-NL. In de wortel werden geen residuen boven de LOQ van 0,02 mg/kg gevonden, in het loof werden in 7 proeven geen residuen onder de LOQ gemeten en één maal werd een residuniveau van 0,02 mg/kg gemeten. Voor suiker‑ en voederbieten en loof van suiker‑ en voederbieten wordt geen MRL afgeleid, alleen een STMR en HR.

Op basis van bovenstaande residuwaardes worden in tabel T.3 MRLs, STMRs en HRs voorgesteld

 

Vruchtgroenten

De toelatinghouder verzoekt om een aanpassing van het WG/GA m.b.t. de PHI in de teelt van vruchtgroenten, van 3 dagen naar 0 dagen bij gewasbehandeling en van 3 dagen naar
1 dag bij druppelbehandeling,

Uit residustudies, welke geleverd zijn voor de toelating in de teelt van vruchtgroenten, blijkt dat de gevonden residuniveaus 1 dag na druppelbehandeling gelijk of lager zijn aan de niveaus drie dagen na de toepassing.

Er worden geen PHI’s korter dan 24 uur (1 dag) toegekend cf. C-118.5. Derhalve wordt uitgegaan van PHI= 1, deze veiligheidstermijn dient in het WG/GA opgenomen te worden. Bij enkele proeven met tomaat en paprika zijn geen monsters genomen op PHI = 1, er is bij deze proeven derhalve gebruik gemaakt van de residuwaarde gevonde bij PHI=0. Uit residustudies welke zijn uitgevoerd met gewasbehandeling blijkt dat op PHI=1 of PHI=0 hogere residuniveaus aanwezig zijn dan bij PHI=3. De residugehaltes bij PHI=0m en PHI=1 zijn vergelijkbaar daar van ze dezelfde orde van grootte zijn. De MRL voor vruchtgroenten wordt voorgesteld op grond van residuproeven met gewasbehandeling, aangezien de GAP voor gewasbehandeling meer kritisch is dan de GAP voor druppelbehandeling en er na gewasbehandeling hogere residuwaardes gevonden worden.

Met behulp van de gevonden residuwaardes zijn MRL berekeningen uitgevoerd (zie tabel T.3).


 

Volg-/rotatiegewassen

 

Om te kunnen beoordelen of een uitbreiding van de bestaande toepassingen van niet grondgebonden teelt onder glas naar  de grondgebonden en/of buitenteelt toelaatbaar is, moeten er voldoende residustudies in volggewassen geleverd zijn. Er is reeds een studie geleverd voor residuen in volggewassen, welke is opgenomen in de monografie. Er hoeven derhalve geen aanvullende residuenproeven in volgewassen geleverd te worden. De teelt van vruchtgroenten vindt in Nederland alleen onder glas plaats, er hoeven derhalve geen aanvullende residustudies met grondgebondenteelt in deze gewassen geleverd te worden.In de EU-monografie is in de eindpuntenlijst het volgende over volggewassen opgenomen: “No data were submitted or required, due to residues of parent and individual metabolites in rotational crops being less than 0.1 mg/kg, with the exception of metabolites M30, M37, M02 and M34 in the wheat study.  However these metabolites were not considered to be of toxicological concern.”

 

Vervoedering

 

Van de gewassen, waarvoor uitbreiding van toelating van Calypso is aangevraagd, worden suikerbiet (kop en loof, wortel, natte en droge pulp), voederbiet (wortel, loof) en aardappels als veevoeder toegepast voor rundvee en varkens. In één monster, nl. blad van suikerbiet, werd 0,02 mg/kg thiacloprid gemeten, in alle andere monsters van suikerbiet en aardappel was het residu onder de LOQ (<0.02 mg/kg). Aangezien na de voorgestelde wachttermijn geen significante hoeveelheden thiacloprid residuen op deze gewasdelen zijn gemeten, hoeven de residutoleranties zoals vastgesteld voor vlees van rundvee en varkens en voor melk niet herzien te worden. Opgemerkt dient te worden dat dit een voorlopige conclusie is; als blijkt dat er met een eventuele nieuwe residudefinitie voor planten toch residuen in aardappel of suiker‑ of voederbiet gevonden worden, moet inname door landbouwhuisdieren opnieuw berekend worden.

Processinggegevens

 

Er zijn gegevens beschikbaar met betrekking tot residuen in bewerkte producten van kersen na wassen, ontpitten en inblikken, maar deze gegevens zijn niet bruikbaar. Zowel in het ruwe agrarische product als in de geprocesde producten werden namelijk geen residuen boven LOQ niveau gemeten, waardoor geen processing factors en %transference berekend kunnen worden.
 

Afleiden MRL’s/STMR's

 

De nieuw voorgestelde MRL’s met daarbij behorende STMR's en HR's staan in tabel T.3. De voorstellen zijn slechts voorlopige voorstellen, vanwege het ontbreken van volledige validatiegegevens voor de gebruikte analysemethode, en voor aardappels, suiker‑ en voederbieten ook vanwege de onzekerheid over de residudefinitie.

 


Tabel T.3 Overzicht van nieuw voorgestelde voorlopige MRL’s, STMR’s en HR’s

Gewas/product

voorlopige MRL

voorlopige STMR (a)

voorlopige   HR (b)

Kers

0,3

0,11

0,15

Pruim

0,05

0,02

0,05

Aardbei

0,5

0,27

0,33

loganbes

1,0

0,29

0,62

braam

1,0

0,29

0,62

framboos

1,0

0,29

0,62

overige rubussoorten

1,0

0,29

0,62

rode, witte en zwarte aalbes

1,0

0,25

0,59

blauwe bes

1,0

0,25

0,59

kruisbes

1,0

0,25

0,59

aardappel

<0,02

0

<0,02

suiker/voederbiet

-

0

<0,02

suiker/voederbiet loof

-

0

0,02

a STMR = supervised trials median residue level

b. HR = highest residue level

 

Tabel T.4 Overzicht van nieuw berekende MRL’s, STMR’s en HR’s voor vruchtgroenten vs. voorlopige MRL’s na gewasbehandeling

Gewas/product

Voorlopige NL-MRL bij

PHI= 3 dagen

MRL bij PHI = 1

MRL

STMR

HR

MRL

STMR

HR

Paprika

1,0

0,22

0,37

1,0

0,25

0,65

Tomaat

0,50

0,14

0,25

0,5

0,2

0,25

Komkommer

0,30

0,08

0,18

0,5

0,11

0,26

 

 

Afleiden ADI en ArfD

 

Een ADI van 0,01 mg/kg lg is voorgesteld op basis van een NOAEL van 1,2 mg/kg lg/dag voor effecten op lever, schildklier en zenuwstelsel in een 2 jaar rattenstudie en toepassing van een veiligheidsfactor van 100.

Gebaseerd op een NOAEL van 3,1 mg/kg lg/dag voor effecten op de motor en locomotor activiteit in een acute neurotoxiciteitsstudie in ratten, en een veiligheidsfactor van 100 is een ARfD van 0,03 mg/kg lg voorgesteld voor de totale bevolking.

 

Dieetberekening

 

Chronische dieetberekening


Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens en bovenstaande MRL’s voorlopige EU-MRL’s en MRLs in de Regeling Residuen. Waar er twee verschillende MRL’s gelden voor één gewas vanwege verschil tussen de voorlopige EU-MRL en de Nederlandse, is de hoogste waarde genomen bij wijze van “worst case” benadering.

De TMDI berekening laat zien dat de theoretische maximale residu-inname (TMDI) 13,9% en 50,7% van de ADI inneemt voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen
1-6 jaar.

 

Acute dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de voorgestelde ARfD werden NESTI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens (‘large portion sizes’; 97,5 percentiel uit consumptie data), ‘unit weights’ uit Groot Britannië en bovenstaande voorlopige residuwaardes.
De NESTI berekening laat zien dat de hoogste theoretische maximale residu-inname (TMDI) van de ARfD ingenomen wordt door 37,7% (paprika) en 51% (komkommer) voor respectievelijk de algemene bevolking en kinderen 1-6 jaar. Alle andere gewassen nemen een lager TMDI percentage van de ARfD in.

 

Conclusie

 

De uitbreiding in de teelt van appels, peren, pruimen en kersen; rode-, witte-, zwarte,- blauwe en kruisbes; loganbes, taybes, braam en framboos; aardbeien;

en de teelt van aardappelen (fabrieks-, consumptie- en poot-), suiker- en voederbieten
en de aanpassing van de PHI in de teelt van vruchtgroenten, van 3 dagen naar 1 dag bij gewasbehandeling en bij druppelbehandeling en de uitbreiding van de bestaande toepassingen van niet grondgebonden teelt onder glas naar de grondgebonden en/of buitenteelt worden alle toelaatbaar geacht.

 

Onzekerheden

 

De nieuw voorgestelde MRL’s met daarbij behorende STMR's en HR's zijn slechts voorlopige voorstellen, vanwege het ontbreken van volledige validatiegegevens voor de gebruikte analysemethode, en voor aardappels, suiker‑ en voederbieten ook vanwege de onzekerheid over de residudefinitie.


Te leveren gegevens voor toekomstige beoordeling

 

-          Een metabolisme proef met label in zowel de pyridine als de thiazolidine-ring van thiacloprid, in een wortel‑ of knolgewas, bij voorkeur aardappels. Ingeval de uitkomst van deze studie aanleiding geeft de residudefinitie aan te passen, zijn ook nieuwe residuproeven in aardappels en suiker‑ en voederbieten nodig.

-          Validatiegegevens voor analysemethode 00548: Kalibratiecurve met juiste bereik, validatie van de LOQ (3x LOD) en terugvindbaarheidsgegevens voor het niveau waarop het hoogste residu is gevonden.

 

Benodigde aanpassingen van het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing

-          2 i.p.v. 3 toepassingen in de teelt van aardbei onder glas en volvelds;

-          gebruik uitsluitend toegestaan in de onbedekte teelt van rubussoorten en besvruchten;

-          2 i.p.v. 3 toepassingen in de teelt van suiker- en voederbieten;

-          in de teelt van vruchtgroenten bij gewasbehandeling en druppelbehandeling PHI van
3 dagen naar 1 dag.

 

In overleg met de aanvrager zijn deze aanpassingen doorgevoerd in het WGGA.

 

 

Onzekerheden

 

Er zijn geen onzekerheden.

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Combinatie toxicologie

 

Er worden geen toepassingen in combinatie met andere werkzame stoffen/middelen voorgeschreven.

 

Etikettering

 

Voorstel voor classificatie werkzame stof (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)

 

Symbool:

Xn

met als onderschrift: schadelijk

 

R-zinnen

20/22

Schadelijk bij inademing en bij opname door de mond.

 

40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.


Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot de gezondheid

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de  toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

(De in onderstaande tabel gebruikte nummering komt overeen met de nummering in het Collegebesluit, § IV, Verpakking en etikettering:)

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

Xn

aanduiding:

schadelijk

 

R-zinnen1

20/22

Schadelijk bij inademing en bij opname door de mond.

 

 

40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

 

 

43

Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

 

S-zinnen2

23

Spuitnevel niet inademen

 

 

36/37

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

 

 

46

In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen3

SPo2

Was alle beschermende kleding na gebruik

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD014

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen

2h) 5

Kinderveilige sluiting verplicht?

nvt

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

nvt

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

R20 wordt toegekend aangezien dit uit de formuleringstoxicologie blijkt. Toekenning is niet afhankelijk van de risicoschatting voor de toepasser

R43 wordt toegekend op basis van een maximisatie welke geleverd is in het kader van een uitbreidingsaanvraag voor deze formulering

S-zinnen

S23 wordt toegekend daar R20 wordt toegekend.

Overige:

het is de visie van het CTB de veiligheidsaanbeveling SPo2  altijd toe te kennen wanneer S36/37 aan een middel is toegekend.

1 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code R..), 91/414/EG, annex IV (Code RS..) of nationaal toegekende zinnen (code G..)

2 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code S..), 91/414/EG, annex V (Code SP..) of nationaal toegekende zinnen (code V..)

3 Zinnen afkomstig uit 1999/45/EG (code DPD..)

4Deze zin vermelden bij alle gewasbeschermingsmiddelen; zin verwijderen bij biociden

5Alleen van toepassing bij particuliere middelen

 


Profiel milieuchemie en –toxicologie

 

Thiacloprid is een voor de EU nieuwe werkzame stof. Thiacloprid is per 1 januari 2005 geplaatst op Annex I van 91/414/EG. In de plaatsingsrichtlijn wordt gesteld dat:

Member States should pay particular attention to the protection of non-target arthropods; to the protection of aquatic organisms; to the potential for groundwater contamination, when the active substance is applied in regions with vulnerable soil and/or climatic conditions.

 

Voor de onderstaande risicobeoordeling van milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de definitieve lijst van eindpunten van thiacloprid van februari 2004 (op CIRCA geplaatst op
8 augustus 2004), van een RIVM-rapport (09828a00) en van de laatste beoordeling van Calypso A (C-137.3.4) en uitbreiding van Calypso (C-159). Aanvullingen op de LoE zijn in cursief opgenomen.

 

List of Endpoints

 

In onderstaande List of Endpoints worden soms coderingen voor de werkzame stof en de metabolieten gebruikt. Hier staan ze samengevat:  

thiacloprid = YRC 2894

thiacloprid amide = M02 = KKO 2254

thiacloprid sulfonic acid = M30 = WAK6999

thiacloprid sulfonic acid amide = M34

 

Fate and Behaviour in the Environment

 


Route of degradation (aerobic) in soil (Annex IIA, point 7.1.1.1.1)

Mineralisation after 100 days ‡

 

6.5-34 % after 100 days (n=4)

Non-extractable residues after 100 days ‡

 

22-30 % after 100 days (n=4)

Relevant metabolites - name and/or code, % of applied (range and maximum) ‡

 

Major metabolites (>10%AR)

M02 60-74% after 3-30 days (n=4)

M30 4.5-20% after 14-100 days (n=4)

 

 

Route of degradation in soil - Supplemental studies (Annex IIA, point 7.1.1.1.2)

Anaerobic degradation

 

No data provided, not required for the currently requested uses (summer applications).

Soil photolysis

 

Negligible (dissipation rate in irradiated sample comparable to dark controls)

 


Rate of degradation in soil (Annex IIA, point 7.1.1.2, Annex IIIA, point 9.1.1)

Method of calculation

Parent: first order

M02 Lab ACSL optimise non linear fitting of first order degradation of parent®M02 and M02®CO2, field first order

M30, M34 lab first order, field insufficient data

Laboratory studies (range or median, with n value,

with r2 value)

DT50lab (20°C, aerobic): ‡ means are geometric &

                                               normalised to field capacity

parent 0.7-5.0 days (n=4, r2=0.97-0.99)  mean 1.3 days

M02 32-142 days (n=4)                         mean 41.7 days

M30 16-79 days (n=3, r2=0.98-0.99)     mean 23.4 days

M34 8-52 days (n=3, r2=0.99-1.0)         mean 15.1 days

 

DT90lab (20°C, aerobic): ‡

parent 2.3-15.5 days (n=4)

M02 106-473 days (n=4)

M30 54-262 days (n=3, r2=0.98-0.99)

M34 26-175 days (n=3, r2=0.99-1.0)

 

DT50calc (10°C, aerobic): ‡ From 20°C aerobic values above as 1.2-10.3 days using Q10 of 2.2.

 

DT50lab (20°C, anaerobic): ‡

not submitted, not required for intended uses

 

degradation in the saturated zone: ‡

not submitted, not required

 

Field studies (state location, range or median with

n value)

DT50f: ‡

         Northern Europe     Southern Europe

parent 9-27 days (n=6)     10-16 days (n=2)r2=0.82-0.98

M02 46-314 days (n=6)  68-107 days (n=2)r2=0.9-0.99

 

DT90f: ‡

          Northern Europe                   Southern Europe

parent 31-91 days (n=6)                  35-53 days (n=2)

M02 153-1047 days (n=4)               226-357 days (n=4)

Soil accumulation and plateau concentration

Metabolite M02 could accumulate in Northern Europe.  Plateau concentration calculated at 0.14mg/kg assuming a DT50 of 314 days, 50% crop interception and 260g a.s/ha is applied a year.

M02 (Z)-[3-[(6-chloro-3-pyridinyl)methyl]-2-thiazolidinylidene]urea)

M30 2[1-(6-chloropyridine-3-ylmethyl)-3-carbamoyl-ureido]-ethane sulfonic acid sodium salt

M34 2-{(aminocarbonyl)[(6-chloro-3-pyridinyl)methyl]amino} ethanesulfonic acid, sodium salt

Er is een studie geleverd waarin concentraties aan thiacloprid in de bodem in de 0

10 cm laag na 10 jaar gebruik met 150 g w.s./ha/jaar zijn bepaald op basis van de beschikbare veldgegevens. Deze studie is ook opgenomen in Addendum I (d.d.nov. 2002). Er is daarbij gebruik gemaakt van twee-compartimenten kinetische modellering: dit wordt niet geaccepteerd voor Nederlandse beoordelingen, aangezien dit geen bruikbare invoergegevens voor PEARL oplevert. Op grond van het bovenstaande worden de uit de genoemde studie afkomstige concentraties aan thiacloprid in de bodem niet gebruikt voor de risicobeoordeling.

 

Soil adsorption/desorption (Annex IIA, point 7.1.2)

Kf /Koc (ml/g)

Kd

pH dependence (yes / no) (if yes type of

dependence)

Kf oc parent 393-870 (mean 615,1/n=0.83-0.94, n=6)

M02 166-438 (mean 288,1/n=0.76-0.91, n=5)

M30 11.9-26.2 (mean 19.8,1/n=0.91-0.98, n=5)

Kd oc M34 2.94-6.27 (mean 5.02, n=4)

No evidence that changes in soil pH influences the sorption of parent or metabolites.

Two extra soil adsorption/desorption studies have been submitted to the CTB for this application. They were summarized by RIVM. Results are:

M02 (KKO254) Kom 184 L/kg, sandy loam soil

M30 (WAK6999) Kom 12,9 L/kg, sandy loam soil.

 

Mobility in soil (Annex IIA, point 7.1.3, Annex IIIA, point 9.1.2)

Column leaching

 

No data submitted, not required as satisfactory batch sorption data are available

Aged residues leaching

Guideline: BBA

Aged for (days): 30 and 60

Precipitation (ml): 393

Leachate: 14.5% AR (day 30) and 19.4% AR (day 60)

Leachate 30day incubations (% AR):

parent undetected, M02 0.1, M30 11.6, unknowns 2

Leachate 60day incubations (% AR):

parent undetected, M02 undetected, M30 18.5, unknowns 1

73% AR retained in top 10cm (30 day incubations).

 

Lysimeter/ field leaching studies

 

Location: Germany, Monheim

Study type: lysimeter planted with grass

No. of applications: 2 years, 2 applications/year

Application rate (kg a.s./ha/year):

0.4 (1st year) and 0.365 (2nd year) to sparse grass

Average annual precipitation (mm): 869

Average annual leachate volume (mm): 372

% AR in leachate: 3%

Peak annual average concentrations (mg/l):

Total radioactivity 2.31mg a.s. equivalents /l

Parent and M02 not detected

M30 2.4 mg/l

M34 0.27 mg/l

Z5 0.16 mg/l

Z5 4-[(6-chloro-3-pyridyl)methyl]-1,2,4-thiadiazaperhydroine-1,1,3-trione

 

Route and rate of degradation in water (Annex IIA, point 7.2.1)

Hydrolysis of active substance and relevant metabolites (DT50) (state pH and temperature)

pH 5______:Stable to hydrolysis

 

pH 7______: Stable to hydrolysis

 

pH 9______: Stable to hydrolysis

Photolytic degradation of active substance and

relevant metabolites

Artificial irradiation equated to summer days, Phoenix Arizona; DT50 324 days. Stable to Photolysis no major (>10%AR) metabolites formed.

Readily biodegradable (yes/no)

No data submitted, therefore not readily biodegradeable

Laboratory studies

 

Degradation in    - DT50 water

water/sediment    - DT90 water

 

                            - DT50 whole system

                            - DT90 whole system

6-11 days

21-35 days (1st order, r2=0.98-0.98, n=2)

 

11-27 days

35-92 days (1st order, r2=0.97-0.99, n=2)

Mineralisation

4% AR (at 100 days, n=2)

Non-extractable residues

17-22% AR (at 100 days, n=2)

Distribution in water / sediment systems (active substance)

Maximum of 10-50%AR in sediment after
1-3 days.

Distribution in water / sediment systems (metabolites)

Water:

M02 max of 17-62%AR after 35 days

M30 represented 5.3-9.5% AR at the end of the study (100 days) with no evidence that concentrations had peaked.

Sediment:

M02 max of 7-36%AR after 35-62 days

 

 

Microcosm studies (Germany) 9 replicated systems

 

Degradation in    - DT50 water

water/sediment    - DT90 water

 

26-46 days, mean 31 days

87-153 days mean 103 days (1st order, r2=0.82-1.0)

 

Distribution in water / sediment systems (active substance)

Maximum of 141 % of the nominal initial water concentration (sum of 2 applications) in sediment 28 days after the second application.  DT50 in sediment 62 days (1st order, r2=0.82, n=1)

Distribution in water / sediment systems (metabolites)

Water:

No analyses for metabolites carried out.

Sediment:

Only M02 analysed for,M02 represented max of 62-89 % of the nominal initial water concentration (sum of 2 applications) in sediment 98 days after the second application (study end)

 

Fate and behaviour in air (Annex IIA, point 7.2.2, Annex III, point 9.3)

Direct photolysis in air

 

Not submitted

Quantum yield of direct phototransformation

 

0.00035



Photochemical oxidative degradation in air

Half life in upper atmosphere in the presence of hydroxyl radicals 1.5 hours (Calculation using the methods of Atkinson)

Volatilisation

 

from plant surfaces:

15% AR lost over 24 hours (volatiles not trapped)

 

 

from soil:

12% AR over 24 hours (volatiles not trapped)

 

Definition of the Residue (Annex IIA, point 7.3)

Relevant to the environment

 

 

Residue definition including major (>10% AR) metabolites or those > 0.1mg/l in soil water at 1.1m depth:

Soil and surface water thiacloprid, M02, M30.

Soil water at 1.1m depth (groundwater) M30, M34 and Z5.

sediment thiacloprid, M02

 

Relevant residue definition:

soil, surface water, sediment and groundwater: thiacloprid

 

 

Monitoring data, if available (Annex IIA, point 7.4)

Soil (indicate location and type of study)

 

New substance.  Not available, not required.

Surface water (indicate location and type of study)

 

New substance.  Not available, not required

Ground water (indicate location and type of study)

 

New substance.  Not available, not required

Air (indicate location and type of study)

    

New substance.  Not available, not required

 

Classification and proposed labelling (Annex IIA, point 10)

with regard to fate and behaviour data

 

Candidate for R53 and S60/61

 

Effects on Non-target Species

 

Effects on terrestrial vertebrates (Annex IIA, point 8.1, Annex IIIA, points 10.1 and 10.3)

Acute toxicity to mammals

LD50: 444 mg a.s./kg bw (rat)

Multigen. study dietary NOEC: 50 ppm (rat)

Acute toxicity to birds

LD50: 49 mg a.s./kg bw (C. coturnix japonica)

non-GLP study

[GLP study, LD50: 2716 mg a.s./kg bw

(C virginianus)]

Dietary toxicity to birds

LC50 2500 ppm (C. coturnix japonica)

Reproductive toxicity to birds

NOEC 60 ppm (Anas platyrhynchos)

 

 

 

Toxicity data for aquatic species (most sensitive species of each group) (Annex IIA, point 8.2, Annex IIIA, point 10.2) ‡

Group

Test substance

Time-scale

Endpoint

Toxicity

(mg/l)

Laboratory tests

‡ Lepomis macrochirus

Active substance

96 h

LC50

25.2

‡ Daphnia magna

Active substance

48 h

EC50

>85.1

‡ Hyalella azteca

Active substance

96h

96h

LC50

EC50

0.0407

0.024

Asellus aquaticus

Active substance

48 h

EC50

0.0758

Gammarus pulex

Active substance

48 h

EC50

0.027

Sericostoma personatum

Active substance

48 h

EC50

>0.1<1.0

Ecydonurus sp.

Active substance

48 h

EC50

0.0077

‡ Scenedesmus subspicatus

Active substance

72 h

EbC50

44.7

‡ Lemna gibba

Active substance

15 d

EC50

NOEC*

141.8

46,8*

‡ L.macrochirus

M02

96 h

LC50

>78.6

‡ H.azteca

M02

96h

LC50

>47.6

‡ Pseudokirchneriella subcapitata

M02

96h

ErC50/EbC50

NOEC*

>100

100*

‡ Oncorhynchus mykiss

M30

96h

LC50

>90.1

‡ D. magna

M30

48h

LC50

>100

‡ S.subspicatus

M30

72h

ErC50/EbC50

NOEC*

>100

100*

‡ L.macrochirus

YRC 2894 SC 480 (formulation)

96h

LC50

80.7

‡ O.mykiss

Active substance

97 day ELS

NOEC

0.24

‡ D.magna

Active substance

21 day

NOEC

0.58

 

‡ Chironomus riparius

Active substance

28 day

NOEC

0.001

‡ C. riparius

YRC 2894 SC 480 (formulation)

56 day & 28 day

NOEC

0.001

C. riparius

Lysimeter leachate

48 h

No mortality

Peak total 0.00623 (Z5 0.00028)

‡ C. riparius

M02

28 day

NOEC

0.1

C. riparius

M30

28 day

NOEC

100

Microcosm or mesocosm tests (Higher tier studies)

Outdoor microcosm study: insects, sediment dwellers, zooplankton, phytoplankton

YRC 2894 SC 480 (formulation)

100 day

EAC**

0.00157

*Not in original LoE, data taken from monograph

**Ecologically Acceptable Concentration. Risk management measures should be considered at Member State level.

 

Bioconcentration

Bioconcentration factor (BCF) ‡

Low potential for bioconcentration (Log Pow 1.26 at 20 oC).  Therefore, study not required as the Log Pow is ³ 3.

Not in original LoE, data taken from monograph:

   m02  thiacloprid-amide:

     Log Pow  = 0.74 in unbuffered water

     Log Pow  = 0.73 at pH 4

     Log Pow  = 0.73 at pH 7

     Log Pow  = 0.74 at pH 9

Annex VI Trigger for the bioconcentration factor

not required.

Clearance time           (CT50)

                                    (CT90)

not required

Level of residues (%) in organisms after the 14 day depuration phase

not required

 

Effects on honeybees (Annex IIA, point 8.3.1, Annex IIIA, point 10.4)

Acute oral toxicity ‡

Active substance: 17.32µg a.s./bee

YRC 2894 SC 480: 8.51 µg form/bee

 

Acute contact toxicity ‡

Active substance: 38.82µg a.s./bee

YRC 2894 SC 480: 51.6 µg form/bee

 

 

Field or semi-field tests

Two semi-field tests showed no adverse effects on foraging bees from use at 0.18 kg a.s./ha. Use on flowering crops is therefore considered acceptable. 

 

 

Effects on other arthropod species (Annex IIA, point 8.3.2, Annex IIIA, point 10.5) ‡

 

Species

Dose

(g as/ha)2

Endpoint

Adverse Effect 7

Annex VI

Trigger

 

Laboratory tests with YRC 2894 SC 4801

 

‡ Typhlodromus. pyri

60, 200, 400

Mortality

Beneficial capacity5

>30% (48% bij 200 g/ha)

>30% (93 % bij 400 g/ha)

>30%

 

‡ Aphidius rhopalosiphi

70

Mortality

>30% (86%)

>30%

 

‡ A. rhopalosiphi

(Ext lab6)

216

Mortality

Parasitism

<30% (22%)

>30% (NB: 11.z9%)

>30% (50%)8

 

Aphidius rhopa-losiphi (Ext. lab)

LC50 test

LC50

LC50: 6.8 g a.s./ha

-

 

Aphidius rhopa-losiphi (Ext. lab)

LC50 test

LC50

LC50: 6.75 g a.s./ha

 

 

‡ Aleochara. bilineata

187.5, 375

Mortality

Repro

<30% (16% bij 375 g/ha)

>30% (99% bij 375 g/ha)

> 30%

 

‡ A. bilineata (Ext lab)

187.5, 375

Mortality

Repro

<30% (6,6% bij 375 g/ha)

<30% (-3,4% bij 375 g/ha)

> 30% (50%)

 

‡ Poecilus. cupreus

100, 216

Mortality

Behaviour

<30% (-3% bij 216 g/ha)

>30% (90% of animals)

>30%

 

‡ Lycosid spiders

Pardosa spp

187.5, 375

Mortality

Feeding

>30% (69% bij 375 g/ha)

>30% (63% bij 375 g/ha)

>30%

 

‡ Chrysoperla carnea (Ext. lab)

0.9, 7.2, 72

Mortality

 

<30% (6% bij 0.9, 20% bij 7.2 g/ha)

>30% (54% bij 72 g/ha)

>30% (50%)

 

‡ Coccinella septempunctata

60, 125, 375

Mortality

>30% (100%, alle doseringen)

>30%

 

‡ C. septempunctata

0.96, 9.6, 19.2

Mortality

 

>30% (49% bij 9,6 g/ha; 94% bij 19,2 g/ha)

>30%

 

‡ C. septempunctata

4.8, 14.4, 56.7, 76.8, 216

Mortality

 

Repro

<30% (4.8, 14.4 g/ha)

>30%(100% bij  56.7, 76.8, 216 g/ha)

>30% (40% bij 14,4 g/ha)

>30%

 

‡ C. septempunctata (Ext lab)

0.96, 2.4, 4.8, 9.6, 19.2, 38.4

Mortality

 

<30%(0.96, 2.4, 9.6)

>30%(37% bij 4.8, 79% bij 19.2, 100% bij 38.4)

>30% (50%)

 

‡ C. septem-punctata (Ext lab/semi-field)

60, 188

Mortality

 

Repro

>30% (75% bij 60 g/ha, 37% bij 188 g/ha)

>30% at 188 g/ha (37%)

>30% (50%)

 

C. septempunctata

LC50 test

LC50

LC50: 24.8 g a.s./ha

-

 

C. septempunctata

3 x 180 g a.s./ha

Mortality

Eggs/female/day

Corrected mortality

1h: 96%

14d: 58%

28d:-1

42d:22%

No adverse effect on fecundity (at 28 days)

 

 

 

Species

Dose

(mg as/kg dry soil)3

Endpoint

Adverse effect4

Annex VI

Trigger

 

Laboratory tests with KKO 22541

 

Hypoaspis aculeifer (residues in soil)

1.25

Mortality

Repro

NOEC

7.6%

<30%

³ 1.25 mg/kg dry soil

>30%

1 Test substance YRC 2894 SC 480 = Calypso, 480 g thiacloprid/L;  KKO 2254 = thiacloprid-amide (M02)

 

2 Dose in x g as/ha means: x g thiacloprid/ha 

 

3 Dose in y mg as/kg dry soil means: y mg thiacloprid-amide/kg dry soil 

 

4 Adverse effect means:

x % effect on mortality = x % increase of mortality compared to control

y % effect on a sublethal parameter = y % decrease of sublethal paramether compared to control

(sublethal parameters are e.g. reproduction (Repro), parasitism, food consumption)

 

When effects are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control).

 

5 Beneficial capacity = predation

 

6 Ext lab = Extended laboratory studies.

7 Where known, highest effectpercentages with doses have been added to the LoE

 8 The trigger for effects in extended lab- and (semi) field-tests is 50%, not 30%.

 

 

Field or semi-field tests and other additional information

Higher tier testing in a 3-dimensional system showed C. septempunctata to be of greater sensitivity than Aphidius rhopalosiphi (mortality 84% cf. 30% fecundity effect respectively). 

T.cacoeciae – apple seedlings (sprayed to run off) carrying parasitised moth eggs (Cydia pomonella) were sprayed in the laboratory and then transferred to an apple orchard.  There were no adverse effects on survival or parasitisation capacity.  This indicates that if adult mortality occurs from the spray, pre-imaginal stages within host eggs will remain unaffected and allow population recovery.

T. pyri - three field trials with 2 sprays at the recommended rate were undertaken in commercial orchards and showed no significant effects. 

P. cupreus - in a semi field trial, two sprays at 150 g a.s./ha showed no effects.

 

In field: potential for recovery demonstrated within season of use and within one year.  Data acceptable to support maximum application rate of 3x216 g a.s./ha. 

Off-field: appropriate risk mitigation measures should be considered at Member State level.

 

Effects on earthworms (Annex IIA, point 8.4, Annex IIIA, point 10.6)

Acute toxicity

LC50 14-day 105 mg a.s./kg soil (active substance)

LC50 14-day 51 mg a.s./kg soil (YRC 2894 SC 480)

LC50 14-day M02 >1000 mg/kg

LC50 14-day M30 >1000 mg/kg

Reproductive toxicity

NOEC 56-day <62.5 g a.s./ha (YRC 2894 SC 480)

 

field study: NOEC 56-day ³ 250 g w.s./ha (Thiacloprid SC480) (study discussed in monograph but not present in LoE)

 

Effects on soil micro-organisms (Annex IIA, point 8.5, Annex IIIA, point 10.7)

Nitrogen mineralisation

<25 % after 28 days at 2.57 mg a.s./kg soil (equivalent to 1,875 kg a.s./ha)

Carbon mineralisation

<25 % after 28 days at 2.57 mg a.s./kg  soil (equivalent to 1,875 kg a.s./ha)

Maximum individual dose 0.216 kg a.s./ha (with 3 applications)

 

 

discussed in monograph but not present in LoE:

Effects on biological methods of sewage treatment

Respiration rate

EC50  6330 mg a.s./L

 

 


Effects on soil non-target macro-organisms (IIIA 10.6.2)

 

discussed in monograph (addendum I) but not in LoE: Folsomia candida

m02: NOEC (reproduction)= 10 mg/kg dry soil

m30: NOEC (reproduction)=   >1000 mg/kg dry soil

soil fungi:

 

Mucor circinelloides

M02:  NOEC ³ 30 mg/kg dry soil

Phytophthora nicotianae

M02:  NOEC ³ 30 mg/kg dry soil

Cladorrhinum foecundissimum

M02:  NOEC ³ 30 mg/kg dry soil

Penicillium janthinellum

M02:  NOEC ³ 30 mg/kg dry soil

Agrocybe aegerita

M02:  NOEC ³ 30 mg/kg dry soil

 

Effects on other non-target organisms (flora and fauna) believed to be at risk

non-target plants

 

Brassica napus, Helianthus annuus, Glycine max, Cucumis sativus, Avena sativa, Zea mays

m02:

NOEC (emergence)³ 1.25 mg/kg dry soil

EC50 (growth) > 1.25 mg/kg dry soil

 

Classification and proposed labelling (Annex IIA, point 10)

with regard to ecotoxicological data

Active substance

N - Dangerous for the environment

R50 – Very toxic to aquatic organisms

R53 - May cause long-term adverse effects in the aquatic environment

S60: This material and its container must be disposed on as hazardous waste. 

S61: Avoid release to the environment

 

Recommended restrictions/conditions with regard to ecotoxicological findings

 

Risk mitigation measures should be considered at MS level to protect aquatic life, and non-target terrestrial arthropods.

 

 

Beoordeling van het risico voor het milieu

 

Relevantie metabolieten

 

m02

Voor m02, thiacloprid-amide, zijn de volgende gegevens beschikbaar:

·         algen (Pseudokirchneriella subcapitata): NOEC = 100 mg/L

·         kreeftachtigen (H. azteca): LC50 > 47,6 mg/L

(C. riparius): EC50 > 0,1 mg/L; NOEC = 0,1 mg/L

·         vissen (L. macrochirus): LC50 > 78,6 mg/L

·         regenwormen (Eisinia fetida): LC50 > 1000 mg/kg

·         bodemmicro-organismen: < 25% effect na 28 dagen bij een dosering van 1,875 kg thiacloprid/ha

 

Aangezien de norm voor ecotoxicologische niet-relevantie ligt op  een L(E)C50>100 mg/L voor kreeftachtigen en vissen, kan op grond van het bovenstaande niet worden geconcludeerd dat metaboliet m02 ecotoxicologisch niet relevant is. Metaboliet m02 zal daarom in onderstaande risicobeoordeling voor het milieu getoetst worden.

Indien er in de toekomst nieuwe testen worden geleverd waaruit blijkt dat de LC50-waarden voor kreeftachtigen en vissen groter zijn dan 100 mg/L, kan alsnog worden besloten dat metaboliet M02 niet relevant is (aangezien M02 humaan-toxicologisch niet relevant is, zie monograph volume I pag 36 en C-137.3.4) en mits ook geen werkzaamheid als pesticide).

 

m30

Voor m30, thiacloprid sulfonzuur, zijn de volgende gegevens beschikbaar:

·         algen (Scenedesmus subspicatus): NOEC = 100 mg/L

·         kreeftachtigen (D. magna): LC50 > 100 mg/L

(C. riparius): EC15 > 100 mg/L; NOEC = 100 mg/L

·         vissen (Oncorhynchus mykiss): LC50 > 90,1 mg/L

·         regenwormen (Eisinia fetida): LC50 > 1000 mg/kg

·         bodemmicro-organismen: < 25% effect na 28 dagen bij een dosering van 1,875 kg thiacloprid/ha

 

Uit de acute studies met thiacloprid blijkt dat D. magna bijna 3000 maal minder gevoelig is dan H. azteca. Daarom werd in C-118.3.5 voor metaboliet m30 een acute toxiciteitsstudie met H. azteca vereist. Deze studie is echter niet geleverd, maar er is wel een studie met Chironomus riparius uitgevoerd met m30. Dit is een sedimentorganisme, maar net als H. azteca een arthropode. C.riparius is bovendien, naast de haftenlarve Ecydonurus sp., het meest gevoelige aquatische organisme voor wat betreft thiacloprid, dus de waarde uit deze studie is daarom ook bruikbaar voor de beoordeling van relevantie van m30.

Het onderzoek met bodemmicro-organismen is uitgevoerd met de werkzame stof, maar er kan van worden uitgegaan dat metaboliet m30 daarmee ook is meegenomen. Het maximale vormingspercentage van m30 (20%) wordt na 100 dagen bereikt, waarvan ± 10% binnen
28 dagen (zie monograph). De studie duurt 28 dagen, maar gezien de hoge dosering (5 maal de dosering uit de bodemdegradatiestudie, 10 maal de hoogste praktijkdosering in het veld) zal er binnen 28 dagen toch een voldoende grote hoeveelheid m30 gevormd worden.

De LC50 voor de vis Oncorhynchus mykiss is >90,1 mg/L. Ondanks dat het eindpunt van de vis niet >100 is, wordt dit wel geaccepteerd daar in dezelfde studie de LC50 en de NOEC dezelfde waarde hebben.

 

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de metaboliet m30 ecotoxicologisch als niet relevant kan worden beschouwd. Aangezien m30 ook humaan-toxicologisch niet relevant is en geen werkzaamheid als pesticide vertoont (zie C-137.3.4), kan hij als niet relevant worden beschouwd. In de risicobeoordeling voor milieu zal de metaboliet m30 daarom niet worden meegenomen.

 

m34 en Z5

Voor m34 thiacloprid sulfonzuur-amide en de metaboliet Z5 zijn geen toxiciteitsgegevens beschikbaar. Er kan een vergelijking worden gemaakt tussen de metabolieten m30, m34 en Z5 op basis van de molecuulstructuur. Bij alle drie de metabolieten is de 2-chloro-nicotinyl-thiazolidinylidene-cyanamidegroep niet meer aanwezig. Deze groep wordt verondersteld de voornaamste oorzaak te zijn van de insecticidewerking van thiacloprid. De hoge toxiciteit van thiacloprid voor gevoelige organismen zoals Chironomus sp. wordt ook aan deze groep toegeschreven. Op grond van deze vergelijking kan worden geconcludeerd dat de metabolieten m34 en Z5 niet toxischer dan m30 zullen zijn. Dit wordt ook ondersteund door een studie met Chironomus riparius met lysimeter leachate met een maximum concentratie Z5 van 0,28 µg/L (en tevens aanwezigheid van m30, m34, m32), waarin geen negatieve effecten werden waargenomen. Het bovenstaande sluit aan bij de EU-beoordeling van thiacloprid.

 

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de metabolieten m34 en Z5 als niet relevant kunnen worden beschouwd en daarom niet mee worden genomen in de risicobeoordeling voor het milieu.

 

 

Persistentie en uitspoeling

 

Persistentie in de bodem

 

Thiacloprid

De gemiddelde DT50 van thiacloprid bedraagt onder laboratoriumomstandigheden
1,3 dagen bij 20 °C (range 0,7-5,0). Het grondgebonden residu na 100 dagen is 22 tot 30%, de CO2-productie na 100 dagen is 6,5 tot 34%. Hiermee voldoet thiacloprid aan de normen voor persistentie volgens de Uniforme Beginselen (UB).

Ook onder veldomstandigheden wordt thiacloprid snel afgebroken: de gemiddelde DT50 uit veldstudies is 15 dagen (range 9-27).

 

Er zijn twee metabolieten aangetroffen in hoeveelheden >10%: m02, thiacloprid-amide, in een maximum van 74% na 3 tot 30 dagen en m30, thiacloprid-sulfonzuur, in een maximum van 20% na 14 to 100 dagen. M30 is niet-relevant verklaard.

 

m02 thiacloprid-amide

De gemiddelde DT50 van m02 bedraagt onder laboratoriumomstandigheden 41,7 dagen bij
20 °C (range 32-142). Onder veldomstandigheden verloopt de afbraak echter langzamer: de gemiddelde DT50 uit veldstudies is 139 dagen (range 46-314). Thiacloprid-amide voldoet op basis van de veldgegevens niet aan de normen voor persistentie van de UB.

Derhalve wordt een MTRbodem afgeleid aan de hand van in de monograph aanwezige en door de aanvrager geleverde aanvullende gegevens. Aangezien de logKow van
M02 = 0,73-0,74 is en hiermee < 2, hoeft niet gecorrigeerd te worden naar het organisch stofgehalte van de referentiegrond. 

 

Maximaal toelaatbaar residu (MTR)

Voor de afleiding van het MTRbodem zijn NOECs voor planten, regenwormen, bodemmicro-organismen, insecten en schimmels noodzakelijk. De volgende gegevens zijn beschikbaar:

 

Tabel M.1 M02: Beschikbare NOECs ter bepaling van MTRsoorten

Soorten

NOEC [mg M02/kg]

Schimmels

 

Mucor circinelloides

³100

Phytophthora nicotianae

³ 30

Cladorrhinum foecundissimum

³ 30

Penicillium janthinellum

³ 30

Agrocybe aegerita

³ 30

Regenwormen

 

Eisenia fetida

>1000 (LC50) 14-day M02 mg/kg

Insecta: Collembola

 

Folsomia candida

10 (NOECreproductie)

Acarina*

 

Hypoaspis aculeifer

³1,25

Macrophyta

 

Brassica napus

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

Helianthus annuus

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

Glycine max

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

Cucumis sativus

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

Avena sativa

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

Zea mays

³1,25 (NOECemergence); > 1,25 (EC50growth)

*Er was gevraagd om een studie met een tweede insectensoort (naast Folsomia). In plaats daarvan is een studie met de in de bodem levende mijt Hypoaspis aculeifer geleverd. Deze wordt geaccepteerd voor de bepaling van het MTRbodem, omdat er weinig standaardbodeminsecten bekend zijn en de NOEC van Hypoaspis lager is dan die van Folsomia.

 

Tabel M.2 M02: Beschikbare NOECs ter bepaling van MTRprocessen

soorten

NOEC [mg w.s./kg]*

Micro-organismen

1,54 (NOECrespiratie)

 

1,54 (NOECnitrogen mineralisation)

 

1,54 (NOECammonificatie)

*Er zijn geen aparte testen gedaan met metaboliet M02. Ook is de concentratie M02 in de studies met thiacloprid niet gemeten. Daarom is het MTRprocessen van M02 afgeleid van de NOECs van thiacloprid. M02 wordt gevormd uit thiacloprid voor 60-74% na 3-30 dagen. Als worst case wordt 60% van de NOEC van thiacloprid (2,57 mg/kg) genomen als NOEC van M02.

 

Op basis van de beschikbare gegevens kunnen MTR’s voor de bodem worden afgeleid.

 

Ad hoc MTRbodem

MTRbodem voor bodemorganismen

De afleiding van het MTRsoorten dient uitgevoerd te worden met een veiligheidsfactor op de laagste waarde, omdat slechts voor drie groepen (schimmels, insecten/mijten, en planten) NOECs beschikbaar zijn. Aangezien er drie NOECs beschikbaar zijn, waarvan één van de gevoeligste groep (zijnde planten: EC50 >1,25 mg/kg) kan worden volstaan met een veiligheidsfactor van 10 op de laagste NOEC.

De laagste NOEC is 1,25 mg w.s./kg. Met de veiligheidsfactor van 10 wordt het MTRsoorten 0,125 mg w.s./kg = 125 μg/kg.

 

MTRbodem voor bodemprocessen

Voor het MTR gebaseerd op processen geldt het volgende: Er zijn 3 NOEC’s beschikbaar voor nitrificatie, ammonificatie en respiratie van resp. 1,54, 1,54 en 1,54 mg/kg. De NOEC is niet afkomstig van dezelfde taxonomische groep als de minimale L(E)C50. De norm wordt daarom gebaseerd op de NOEC met een veiligheidsfactor van 50. Het MTRbodem voor bodemprocessen wordt derhalve 1,54 / 50 = 0,031 mg/kg = 31 μg/kg.

NB Dit MTR gaat uit van twee verschillende processen binnen de stikstofomzetting. Echter, een nadere analyse betreffende de onafhankelijkheid van de processen nitrificatie en ammonificatie is momenteel gaande binnen het CTB.

 

MTRbodem voor doorvergiftiging

Gezien het feit dat log Kow<3 wordt een gering risico op doorvergiftiging verwacht en behoeft geen MTRbodem voor doorvergiftiging afgeleid te worden.

 

MTRbodem

Voor het MTRbodem van M02 wordt uitgegaan van de laagste MTR-waarde, in dit geval
31 μg/kg. Het betreft een ad hoc MTR, omdat deze nog niet is vastgesteld door de wetenschappelijke klankbordgroep INS.

 

Toetsing Gp,10 aan het Ad hoc MTRbodem

Met PEARL 2.2.2, De Bilt Dutch Standard Scenario, wordt de concentratie in de bouwvoor berekend die één jaar na toepassing nog aanwezig is bij een dosering van 1 kg/ha. De uitkomst wordt daarna gecorrigeerd volgens de Rumb 2000, bijlage II, stap 1. Uitgaande van de laboratorium-DT50 van 41,7 d komt R% (het verwachte percentage van de dosering dat
1 jaar na toepassing nog aanwezig is in de bovenste 20 cm van de bodem) op 5,9%.
De hoogste dosering in de grond wordt verwacht bij toepassing 21, kastoepassing op aardbei tegen de larven van de kaswittevlieg. Op basis van de herhaalde doseringen (4), een fractie die de bodem bereikt van 0,8 (default waarde, worst-case), een vormingspercentage van maximaal 74% en een relatieve molmassa van 1,07 kan na herhaalde toediening (10 jaar) van 0,168 kg/ha thiacloprid een maximale concentratie van 0,571 μg M02/kg bodem (20 cm diepte) berekend worden. Hiermee is het ad hoc MTRbodem een factor 27 hoger dan de maximale concentratie in de bodem en is er geen sprake van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem.

Echter, bovenstaande berekening is gebaseerd op de lab-DT50, terwijl de veld-DT50, die meer representatief is voor de praktijksituatie, veel hoger ligt. Daarom wordt de beoordeling gebaseerd op de veld-DT50. Met een veld-DT50 van 139 dagen wordt een R% van 43% gevonden. Hieruit volgt een maximale concentratie van M02 in de bovenste 20 cm van de bodem, twee jaar na tien jaar toepassen, van 48,5 μg/kg grond. Het verwachte gehalte in de bovenste 20 cm van de bodem, twee jaar na tien jaar toepassen (Gp10), is voor alle toepassingen uitgerekend. Zie tabel M.3.

 

Tabel M.3 Gp10 en overschrijding MTRbodem voor Calypso

Toepassing

Dosering

[kg/ha]

Frequentie

 

Gp10

[mg/kg grond]

MTRbodem

[mg/kg grond]

MTR-overschrijding

1-3, 5, 8, 10, 23-25, 27, 29, 33-35

0,12

3

26

31

0,8

4, 17

0,072

3

16

31

0,52

6, 9, 12, 13, 30

0,18

3

39

31

1,3

7, 11, 14-16, 18

0,144

3

31

31

1,0

19

0,168

3

36

31

1,2

20

0,072

4

21

31

0,68

21

0,168

4

49

31

1,6

22

0,096

3

21

31

0,68

26, 28, 36

0,12

4

35

31

1,1

31

0,18

4

52

31

1,7

32

geen blootstelling (substraatteelt)

 

Uit tabel M.3 blijkt, dat voor de toepassingen 6, 7, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 26, 28, 30, 31 en 36 voor M02 bij de aangevraagde toepassingsfrequentie niet voldaan wordt aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).  De overige toepassingen voldoen wel aan de norm.

Voor de overschrijdende toepassingen kan een frequentiebeperking worden vastgesteld. In tabel M.4 wordt de maximale frequentie gegeven waarbij per toepassing het MTRbodem niet wordt overschreden.

 

Tabel M.4 Gp10 en, maximale frequentie en overschrijding MTRbodem voor Calypso

Toepassing

Dosering

[kg/ha]

Frequentie

 

Gp10

[mg/kg grond]

MTRbodem

[mg/kg grond]

MTR-overschrijding

6, 9, 12, 13, 30

0,18

2

26

31

0,84

7, 11, 14-16, 18

0,144

2

21

31

0,68

19

0,168

2

24

31

0,77

21

0,168

2

24

31

0,77

26, 28, 36

0,12

3

26

31

0,84

31

0,18

2

26

31

0,84

 

Uit tabel M.4 blijkt, dat voor de toepassingen 6, 7, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 26, 28, 30, 31 en 36 voor M02 voldaan wordt aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB), mits een maximale toepassingsfrequentie in acht wordt genomen van 2x bij toepassing 6, 7, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 30 en 31, en een maximale toepassingsfrequentie van 3x bij toepassing 26, 28 en 36. Hiermee voldoen alle toepassingen van Calypso aan de norm voor persistentie zoals vastgesteld in de UB.

In het WGGA dient de volgende zin opgenomen te worden (het betreft hier SPe1 uit Annex V van 91/414/EG):

Om de bodemorganismen te beschermen mag u dit product in de toepassingen in groot fruit (met uitzondering van jong gewas), klein fruit (met uitzondering van aardbeien in de vollegrond) en vruchtgroenten onder glas (met uitzondering van substraatteelt) ten hoogste tweemaal gebruiken en in de toepassingen in bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen (in de vollegrond en onder glas) ten hoogste driemaal gebruiken.

 

Uitspoeling naar het ondiepe grondwater

 

De uitspoeling van de werkzame stof thiacloprid en de metaboliet M02 dient berekend te worden. Omdat het een uitbreiding betreft van een middel op basis van een geplaatste stof, dienen de risico's van de toepassing voor het ondiepe grondwater berekend te worden met PEARL-2.2.2 (Kremsmünsterscenario).

De nieuwe beslisboom uitspoeling inclusief het nieuwe model GeoPEARL zijn eind 2004 vrijgegeven vrijgegeven voor gebruik in de toelatingsbeoordeling.

In een brief van minister Veerman van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de voorzitter van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), vraagt hij het CTB om te anticiperen op de revisie van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Rumb 2000) voor wat betreft de beoordeling van uitspoeling naar het grondwater.

Dit verzoek is gebaseerd op art. 6 van de Bestrijdingsmiddelenwet (stand van de wetenschap) in combinatie met art.6 van de Regeling (nieuwe modellen).

De methodologie zoals beschreven in het rapport "The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils", A.M.A van der Linden, J.J.T.I. Boesten, A.A. Cornelese, R. Kruijne, M. Leistra, J.B.H.J Linders, J.W. Pol, A. Tiktak and A.J Verschoor, RIVM report 601450019/2004, RIVM, Bilthoven (2004) dient te worden gehanteerd.

 

Voor de berekening wordt uitgegaan van de volgende invoergegevens:

PEARL:

 

DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20°C): 

·          Thiacloprid: gem. 1,3 dagen

·          M02: 41,7 dagen

 

KOM :

·       Thiacloprid: gem. 362 L/kg

·       M02: gem. 172 L/kg (n=6: 98; 131; 178; 184; 184; 258)

 

 

Verzadigde dampspanning: 3 x 10-10 Pa at 20°C

Oplosbaarheid in water: 184 mg/l at 20°C and pH 7

Molecuulmassa: 252,73 g/mol

 

Overige parameters: standaard instelling PEARL 2.2.2

 

 

De volgende concentraties worden verwacht voor de werkzame stof en metaboliet(en)voor voorjaars- en najaarstoepassing, zie tabel M.6. De hoogste uitspoeling wordt verwacht bij toepassing 21 in aardbeien tegen de larven van de kaswittevlieg, omdat hierbij een relatief  hoge dosering met veel toepassingen en een klein interval geldt (voor toepassing 31 is bij de beoordeling van persistentie vastgesteld dat de maximale frequentie 3x is, en daarmee zal de uitspoeling lager zijn dan die van toepassing 21). Uitgegaan wordt van eerste toepassing op respectievelijk 1 april en 12 oktober in het voorjaars- en najaarsscenario. De minimale interceptie van aardbeien is in april 30% (groeistadium bladontwikkeling, zie Focus Groundwater Report) en in oktober 80% (expert judgement op basis van vrijwel complete bedekking).  

 

Tabel M.5 Uitspoeling werkzame stof en metabolieten berekend met PEARL 2.2.2

Toepassing

Stof

Dosis w.s.

Freq.

Interval

Fractie

Op

PEC grondwater

PEC grondwater

 

 

[kg/ha]

 

 [dag]

bodem

voorjaar [mg/L]

Najaar [mg/L]

21 (aardbeien)

thiacloprid

M02

0,168

0,124*

4

7

0,7 / 0,2

<0,001

<0,001

<0,001

<0,001

*M02 wordt in de grond voor maximaal 74% gevormd uit thiacloprid. De dosering is daarom 0,74 * 0,168 = 0,124 kg/ha.

 

De uitkomsten van Pearl 2.2.2. met het Kremsmünster-scenario worden getoetst aan de norm van 0,01 µg/l. Dit is de norm van het UB (0,1 µg/L) waarbij een extra veiligheidsfactor van 10 voor grondwaterbeschermingsgebieden wordt gehanteerd.

 

Uit tabel M.5 blijkt dat de verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor de werkzame stof thiacloprid en diens metaboliet M02, bij de toepassing met de hoogste verwachte uitspoeling kleiner is dan 0,01 µg/L. Derhalve voldoen alle toepassingen van Calypso aan de norm voor uitspoeling.

 

Risicobeoordeling voor aquatische organismen

 

Risicobeoordeling voor waterorganismen

 

Thiacloprid

Het risico voor waterorganismen voor de verschillende toepassingen van thiacloprid wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het opper­vlak­tewater (sloot van 25 cm diepte) die ontstaan door overwaaien. Het over­waaipercen­tage is afhankelijk van de toepassing. De normen voor acute blootstelling zijn 0,01 maal de L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) en 0,1 de EC50-waarde voor algen. De normen voor chronische blootstelling zijn 0,1 maal de NOEC-waarde voor zowel kreeftachtigen als vissen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen, deze zijn opgenomen in tabel M.6.

 

Tabel M.6 Overzicht normen thiacloprid

Taxonomische

Soort

Laagste

Veiligheids-

Norm

groep

 

L(E)C50 [mg/L]

NOEC [mg/L]

factor

[mg/L]

[mg/L]

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

S. subspicatus

44,7

 

10

4,47

4470

Kreeftachtigen

H. azteca

0,024

 

100

0,00024

0,24

Vissen

L. macrochirus

25,2

 

100

0,252

252

 

 

 

 

 

 

 

Chronisch

 

 

 

 

 

 

Kreeftachtigen

D. magna

 

0,58

10

0,058

58

Vissen

O. mykiss

 

0,24

10

0,024

24

Planten

L. gibba

 

46,8

10

4,68

4680

 

De concentraties in het oppervlaktewater zijn berekend m.b.v. het model TOXSWA. Aangezien er nog geen standaard methode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sedimentstudie te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase ingevuld. Deze methode komt overeen met de methode zoals gebruikt in SLOOTBOX, er is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader. De herhaalde toepassingen met een interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen. Dit is overeenkomstig met de werkwijze in de EU: meermalige toepassingen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen indien het interval groter is dan 3*DT50-waarde. Tabel M.8 bevat de concentraties in het voorjaar, tabel M.9 in het najaar (najaarstoepassing is van september tot februari en daarom niet voor alle toepassingen relevant).

 

TOXSWA:

DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20°C:  19 dagen

DT50 voor afbraaksnelheid in sediment bij 20°C: 10000 dagen.

 

Kom voor zwevend organische stof: 362 L/kg*

Kom voor sediment: 362 L/kg

 

Verzadigde dampspanning: 3.10-10 Pa bij 20°C

Oplosbaarheid in water: 184 g/L bij 20°C

Molecuulmassa: 252,73 g/mol

 

Overige parameters: standaard instelling TOXSWA

* de berekeningen van toepassingen 30 t/m 36 zijn overgenomen uit C-137.3.4. Ze zijn gedaan met een Kom van 367 L/kg ipv 362 L/kg. Dit kleine verschil zal geen invloed hebben op de conclusie.

 

Tabel M.7 Overzicht concentraties thiacloprid in oppervlaktewater per toepassing in voorjaar

Nr.

Toepassing

driftreducerende maatregel

Dosering a.s. [kg/ha]

Freq.

Interval [dag]

Drift [%]

PIEC

[mg/L]

PEC21

[mg/L]

PEC28

[mg/L]

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

3

hennep: v.g

-

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

4

hennep: o.g.

-

0,072

3*

60

0,1

0,0342

0,0244

0,0226

5a, 8a, 10a, 2

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,5

1,425

1,044

0,9654

5b, 8b, 10b 2

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,4

1,3683

1,0023

0,9273

5c, 8c, 10c2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

0,7

0,4003

0,2913

0,2693

5d, 8d, 10d2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

5e, 8e, 10e, 2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,7

1,5393

1,1263

1,0433

5f, 8f, 10f2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,096

3*

60

3,4

1,5503

1,1283

1,0423

5g, 8g, 10g2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

1,111

1,028

5h, 8h, 10h2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

1,1363

1,0513

5i, 8i, 10i2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

0,8

0,4563

0,3323

0,3073

6a, 9a 12a, 13a2

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,5

1,567

1,149

1,063

6b, 9b 12b, 13b2

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,4

1,5045

1,1035

1,0203

6c, 9c 12c, 13c2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

0,18

3*

60

0,7

0,5983

0,4362

0,4032

6d, 9d 12d, 13d2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

0,18

3*

60

1

0,8548

0,6245

0,5773

6e, 9e 12e, 13e2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3*

60

2,7

1,5393

1,1263

1,0433

6f, 9f 12f, 13f2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,096

3*

60

3,4

1,5503

1,1283

1,0423

6g, 9g, 12g, 13g2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

1,111

1,028

6h, 9h, 12h, 13h2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

1,1363

1,0513

6i, 9i 12i, 13i2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

0,18

3*

60

0,8

0,6843

0,5003

0,4623

7a, 11a2

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,5

1,567

1,149

1,063

7b, 11b2

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,4

1,5045

1,1035

1,0203

7c, 11c2

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

0,7

0,4793

0,3493

0,3233

7d, 11d2

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

1

0,6838

0,4989

0,4612

7e, 11e2

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3*

60

2,7

1,5393

1,1263

1,0433

7f, 11f2

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,096

3*

60

3,4

1,5503

1,1283

1,0423

7g, 11g2

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

1,111

1,028

7h, 11h2

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

1,1363

1,0513

7i, 11i2

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

0,8

0,5473

0,3993

0,3693

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

1

0,6838

0,4989

0,4612

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

1

0,6838

0,4989

0,4612

16

blauwe bes

bladluizen

0,144

3*

60

1

0,6838

0,4989

0,4612

17

aardbei

bladluizen

0,072

3*

60

1

0,3416

0,2443

0,2257

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

1

0,6838

0,4989

0,4612

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

bladluizen

0,144

3*

60

0,1

0,0684

0,0499

0,0461

19

aardbei: o.g.

bladluizen

0,168

3*

60

0,1

0,079

0,0574

0,053

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,072

3

7

1

0,8353

0,6413

0,6013

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

0,168

4

7

0,1

0,2383

0,185

0,17

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

0,096

3*

60

1

0,4558

0,3317

0,3066

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

1

1,391

1,069

1,001

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3

7

1

1,391

1,069

1,001

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,132

3*

60

1

0,6273

0,4603

0,4253

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3*

60

0,8

0,4563

0,3323

0,3073

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 950 l spuitvloeistof verspuiten

0,114

3*

60

2,8

1,516

1,111

1,028

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,132

3

7

1

1,5303

1,1763

1,1013

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,12

3

7

0,8

1,112

0,8544

0,800

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5698

0,4153

0,3839

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,18

3

60

0,1

0,09

0,06

0,06

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,18

4

7

0,1

0,26

0,20

0,18

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,24

3

60

0,1

0,12

0,08

0,08

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,1

0,06

0,04

0,04

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

0,1

0,14

0,11

0,1

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,1

0,06

0,04

0,04

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,12

4

7

0,1

0,17

0,13

0,12

*de toepassingen met interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen

2 In de teelt van groot fuit is de normale situatie 1500 L water/ha. Waar dit anders is, is het aangegeven.

3 Afgeleid van een met TOXSWA berekende waarde van een toepassing met dezelfde dosering, frequentie en interval en ander driftpercentage

 

Tabel M.8 Overzicht concentraties thiacloprid in oppervlaktewater per toepassing in najaar

Nr.

Toepassing

driftreducerende maatregel

Dosering a.s. [kg/ha]

Freq.

Interval [dag]

Drift [%]

PIEC

[mg/L]

PEC21

[mg/L]

PEC28

[mg/L]

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

0,12

3*

60

1

0,5703

0,0783

0,0593

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

0,12

3*

60

1

-

-

-

3

hennep: v.g

-

0,12

3*

60

1

-

-

-

4

hennep: o.g.

-

0,072

3*

60

0,1

-

-

-

5a, 8a, 10a2;

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,5

1,4253

0,1963

0,1473

5b, 8b, 10b2

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,4

1,3683

0,1883

0,1413

5c, 8c, 10c2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

0,7

0,3993

0,0553

0,0413

5d, 8d, 10d2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

1

0,5703

0,0783

0,0593

5e, 8e, 10e2, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

2,7

1,539

0,2117

0,159

5f, 8f, 10f2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,096

3*

60

3,4

1,550

0,213

0,160

5g, 8g, 10g2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

0,2086

0,1566

5h, 8h, 10h2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

0,2133

0,1603

5i, 8i, 10i2

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,12

3*

60

0,8

0,4563

0,0633

0,0473

6a, 9a 12a, 13a2

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,5

1,5683

0,2163

0,1623

6b, 9b 12b, 13b2

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,4

1,5053

0,2073

0,1553

6c, 9c 12c, 13c2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

0,18

3*

60

0,7

0,5983

0,4223

0,0623

6d, 9d 12d, 13d2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

0,18

3*

60

1

0,8548

0,6032

0,0883

6e, 9e 12e, 13e2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3*

60

2,7

1,539

0,2117

0,159

6f, 9f 12f, 13f2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,096

3*

60

3,4

1,550

0,213

0,160

6g, 9g, 12g, 13g2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

0,2086

0,1566

6h, 9h, 12h, 13h2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

0,2133

0,1603

6i, 9i 12i, 13i2

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

0,18

3*

60

0,8

0,6843

0,4833

0,7013

7a, 11a2

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,5

1,5683

0,2163

0,1623

7b, 11b2

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,132

3*

60

2,4

1,5053

0,2073

0,1553

7c, 11c2

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

0,7

0,4793

0,3383

0,0493

7d, 11d2

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

1

0,6843

0,4833

0,0713

7e, 11e2

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,12

3*

60

2,7

1,539

0,2117

0,159

7f, 11f2

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,096

3*

60

3,4

1,550

0,213

0,160

7g, 11g2

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,114

3*

60

2,8

1,516

0,2086

0,1566

7h, 11h2

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,102

3*

60

3,2

1,5503

0,213

0,1603

7i, 11i2

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,144

3*

60

0,8

0,5473

0,075

0,0573

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

1

-

-

-

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

1

-

-

-

16

blauwe bes

bladluizen

0,144

3*

60

1

-

-

-

17

aardbei

bladluizen

0,072

3*

60

1

0,3423

0,0473

0,0353

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

1

0,6843

0,4833

0,0713

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

bladluizen

0,144

3*

60

0,1

0,0683

0,0483

0,0073

19

aardbei: o.g.

bladluizen

0,168

3*

60

0,1

0,0803

0,0113

0,0083

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,072

3

7

1

0,3443

0,1413

0,1063

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

0,168

4

7

0,1

0,080

0,033

0,033

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

0,096

3*

60

1

0,4563

0,0633

0,0473

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5703

0,0783

0,0593

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

1

0,574

0,2345

0,1765

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5703

0,0783

0,0593

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,12

3

7

1

0,574

0,2345

0,1765

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,132

3*

60

1

0,6273

0,0863

0,0653

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,12

3*

60

0,8

0,4563

0,0633

0,0473

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 950 l spuitvloeistof verspuiten

0,114

3*

60

2,8

1,516

0,2086

0,1566

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,132

3

7

1

0,6313

0,2583

0,1943

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,12

3

7

0,8

0,4593

0,1883

0,1413

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

1

0,5703

0,0783

0,0593

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,18

3

60

0,1

0,09

0,02

0,02

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,18

4

7

0,1

0,09

0,03

0,03

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,24

3

60

0,1

0,12

0,02

0,02

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,1

0,06

0,01

0,01

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

0,1

0,06

0,02

0,02

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,1

0,06

0,01

0,01

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,12

4

7

0,1

0,06

0,02

0,02

*de toepassingen met interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen

2 In de teelt van groot fuit is de normale situatie maximaal 1500 L water/ha. Waar dit anders is, is het aangegeven.

3 Afgeleid van een met TOXSWA berekende waarde van een toepassing met ander driftpercentage

 

In tabel M.9 en M.10 is aangegeven of en zo ja, in welke mate, overschrij­ding plaats­vindt van de normen voor waterorga­nismen. De normoverschrijdingen zijn vet gedrukt weergegeven.

 

Tabel M.9 Normoverschrijdingsfactoren thiacloprid voorjaar (1e Tier)

Nr

Toepassing

Driftreducerende maatregel

PIEC/

(0,1*

EC50)

PIEC/

(0,01*

LC50)

PIEC/

(0,01*

LC50)

PEC21/

(0,1*

NOEC)

PEC28/

(0,1*

NOEC)

PIEC/

(0,1*

NOEC)

 

 

 

alg

kreeft

vis

kreeft

vis

water-plant

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

3

hennep: v.g

-

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

4

hennep: o.g.

-

7,65E-06

0,14

1,36E-04

4,21E-04

9,42E-04

7,31E-06

5a, 8a, 10a, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,19E-04

5,94

5,65E-03

1,80E-02

4,02E-02

3,04E-04

5b, 8b, 10b

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,06E-04

5,70

5,43E-03

1,73E-02

3,86E-02

2,92E-04

5c, 8c, 10c

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

8,95E-05

1,67

1,59E-03

5,02E-03

1,12E-02

8,55E-05

5d, 8d, 10d

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

5e, 8e, 10e, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,44E-04

6,41

6,11E-03

1,94E-02

4,35E-02

3,29E-04

5f, 8f, 10f

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,94E-02

4,34E-02

1,18E-04

5g, 8g, 10g

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

1,92E-02

4,28E-02

3,24E-04

5h, 8h, 10h

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,96E-02

4,38E-02

3,31E-04

5i, 8i, 10i

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,02E-04

1,90

1,81E-03

5,72E-03

1,28E-02

9,74E-05

6a, 9a 12a, 13a

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,51E-04

6,53

6,22E-03

1,98E-02

4,43E-02

3,35E-04

6b, 9b 12b, 13b

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,36E-04

6,27

5,97E-03

1,90E-02

4,25E-02

3,21E-04

6c, 9c 12c, 13c

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

1,34E-04

2,49

2,37E-03

7,52E-03

1,68E-02

1,28E-04

6d, 9d 12d, 13d

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

1,91E-04

3,56

3,39E-03

1,08E-02

2,41E-02

1,83E-04

6e, 9e 12e, 13e

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

3,44E-04

6,41

6,11E-03

1,94E-02

4,35E-02

3,29E-04

6f, 9f 12f, 13f

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,94E-02

4,34E-02

1,18E-04

6g, 9g, 12g, 13g

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

1,92E-02

4,28E-02

3,24E-04

6h, 9h, 12h, 13h

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,96E-02

4,38E-02

3,31E-04

6i, 9i 12i, 13i

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,62E-03

1,93E-02

1,46E-04

7a, 11a

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,51E-04

6,53

6,22E-03

1,98E-02

4,43E-02

3,35E-04

7b, 11b

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,36E-04

6,27

5,97E-03

1,90E-02

4,25E-02

3,21E-04

7c, 11c

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,07E-04

2,00

1,90E-03

6,02E-03

1,35E-02

1,02E-04

7d, 11d

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,60E-03

1,92E-02

1,46E-04

7e, 11e

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

3,44E-04

6,41

6,11E-03

1,94E-02

4,35E-02

3,29E-04

7f, 11f

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,94E-02

4,34E-02

3,31E-04

7g, 11g

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

1,92E-02

4,28E-02

3,24E-04

7h, 11h

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

1,96E-02

4,38E-02

3,31E-04

7i, 11i

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,22E-04

2,28

2,17E-03

6,88E-03

1,54E-02

1,17E-04

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,60E-03

1,92E-02

1,46E-04

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,60E-03

1,92E-02

1,46E-04

16

blauwe bes

bladluizen

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,60E-03

1,92E-02

1,46E-04

17

aardbei

bladluizen

7,64E-05

1,42

1,36E-03

4,21E-03

9,40E-03

7,30E-05

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

bladluizen

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,60E-03

1,92E-02

1,46E-04

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

bladluizen

1,53E-05

0,29

2,71E-04

8,60E-04

1,92E-03

1,46E-05

19

aardbei: o.g.

bladluizen

1,77E-05

0,33

3,13E-04

9,90E-04

2,21E-03

1,69E-05

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

1,87E-04

3,48

3,31E-03

1,11E-02

2,50E-02

1,78E-04

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

5,33E-05

0,99

9,46E-04

3,19E-03

7,08E-03

5,09E-05

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

1,02E-04

1,90

1,81E-03

5,72E-03

1,28E-02

9,74E-05

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

3,11E-04

5,80

5,52E-03

1,84E-02

4,17E-02

2,97E-04

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

3,11E-04

5,80

5,52E-03

1,84E-02

4,17E-02

2,97E-04

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

1,40E-04

2,61

2,49E-03

7,93E-03

1,77E-02

1,34E-04

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,02E-04

1,90

1,81E-03

5,72E-03

1,28E-02

9,74E-05

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 9504 l spuitvloeistof verspuiten

3,39E-04

6,32

6,02E-03

1,92E-02

4,28E-02

3,24E-04

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

3,42E-04

6,38

6,07E-03

2,03E-02

4,59E-02

3,27E-04

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

2,49E-04

4,63

4,41E-03

1,47E-02

3,33E-02

2,38E-04

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

1,27E-04

2,37

2,26E-03

7,16E-03

1,60E-02

1,22E-04

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,220

<1,0E-3

1,0E-3

2,5E-3

1,92E-05

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

1,0E-4

0,622

1,0E-3

3,0E-3

7,5E-3

5,56E-05

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

<1,0E-3

0,293

<1,0E-3

1,0E-3

3,0E-3

2,46E-05

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

1,0E-3

2,0E-3

1,28E-05

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

<1,0E-3

0,341

1,0E-3

2,0E-3

4,0E-3

2,99E-05

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

1,0E-3

2,0E-3

1,28E-05

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

<1,0E-3

0,415

1,0E-3

2,0E-3

5,0E-3

3,63E-05

 

 

Tabel M.10 Normoverschrijdingsfactoren thiacloprid najaar (1e Tier)

Nr

Toepassing

Driftreducerende maatregel

PIEC/

(0,1*

EC50)

PIEC/

(0,01*

LC50)

PIEC/

(0,01*

LC50)

PEC21/

(0,1*

NOEC)

PEC28/

(0,1*

NOEC)

PIEC/

(0,1*

NOEC)

 

 

 

alg

kreeft

vis

kreeft

vis

water-plant

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

1,28E-04

2,38

2,26E-03

1,34E-03

2,46E-03

1,22E-04

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

-

-

-

-

-

-

3

hennep: v.g

-

-

-

-

-

-

-

4

hennep: o.g.

-

-

-

-

-

-

-

5a, 8a, 10a, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,19E-04

5,94

5,65E-03

3,38E-03

6,13E-03

3,04E-04

5b, 8b, 10b

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,06E-04

5,70

5,43E-03

3,24E-03

5,88E-03

2,92E-04

5c, 8c, 10c

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

8,93E-05

1,66

1,58E-03

9,48E-04

1,71E-03

8,53E-05

5d, 8d, 10d

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,28E-04

2,38

2,26E-03

1,34E-03

2,46E-03

1,22E-04

5e, 8e, 10e, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,44E-04

6,41

6,11E-03

3,65E-03

6,63E-03

3,29E-04

5f, 8f, 10f

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

5g, 8g, 10g

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

3,60E-03

6,53E-03

3,24E-04

5h, 8h, 10h

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

5i, 8i, 10i

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,02E-04

1,90

1,81E-03

1,09E-03

1,96E-03

9,74E-05

6a, 9a 12a, 13a

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,51E-04

6,53

6,22E-03

3,72E-03

6,75E-03

3,35E-04

6b, 9b 12b, 13b

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,37E-04

6,27

5,97E-03

3,57E-03

6,46E-03

3,22E-04

6c, 9c 12c, 13c

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

1,34E-04

2,49

2,37E-03

7,28E-03

2,58E-03

1,28E-04

6d, 9d 12d, 13d

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

1,91E-04

3,56

3,39E-03

1,04E-02

3,68E-03

1,83E-04

6e, 9e 12e, 13e

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

3,44E-04

6,41

6,11E-03

3,65E-03

6,63E-03

3,29E-04

6f, 9f 12f, 13f

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

6g, 9g, 12g, 13g

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

3,60E-03

6,53E-03

3,24E-04

6h, 9h, 12h, 13h

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

6i, 9i 12i, 13i

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,33E-03

2,92E-02

1,46E-04

7a, 11a

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,51E-04

6,53

6,22E-03

3,72E-03

6,75E-03

3,35E-04

7b, 11b

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

3,37E-04

6,27

5,97E-03

3,57E-03

6,46E-03

3,22E-04

7c, 11c

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,07E-04

2,00

1,90E-03

5,83E-03

2,04E-03

1,02E-04

7d, 11d

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,33E-03

2,96E-03

1,46E-04

7e, 11e

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

3,44E-04

6,41

6,11E-03

3,65E-03

6,63E-03

3,29E-04

7f, 11f

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

7g, 11g

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

3,39E-04

6,32

6,02E-03

3,60E-03

6,53E-03

3,24E-04

7h, 11h

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

3,47E-04

6,46

6,15E-03

3,67E-03

6,67E-03

3,31E-04

7i, 11i

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

1,22E-04

2,28

2,17E-03

1,29E-03

2,38E-03

1,17E-04

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

-

-

-

-

-

-

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

-

-

-

-

-

-

16

blauwe bes

bladluizen

-

-

-

-

-

-

17

aardbei

bladluizen

7,65E-05

1,43

1,36E-03

8,10E-04

1,46E-03

7,31E-05

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

bladluizen

1,53E-04

2,85

2,71E-03

8,33E-03

2,96E-03

1,46E-04

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

bladluizen

1,52E-05

0,28

2,70E-04

8,28E-04

2,92E-04

1,45E-05

19

aardbei: o.g.

bladluizen

1,79E-05

0,33

3,17E-04

1,90E-04

3,33E-04

1,71E-05

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

7,70E-05

1,43

1,37E-03

2,43E-03

4,42E-03

7,35E-05

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

1,79E-05

0,33

3,17E-04

5,69E-04

1,38E-03

1,71E-05

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

1,02E-04

1,90

1,81E-03

1,09E-03

1,96E-03

9,74E-05

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

1,28E-04

2,38

2,26E-03

1,34E-03

2,46E-03

1,22E-04

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

1,28E-04

2,39

2,28E-03

4,04E-03

7,35E-03

1,23E-04

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

1,28E-04

2,38

2,26E-03

1,34E-03

2,46E-03

1,22E-04

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg: langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,28E-04

2,39

2,28E-03

4,04E-03

7,35E-03

1,23E-04

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

1,40E-04

2,61

2,49E-03

1,48E-03

2,71E-03

1,34E-04

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,02E-04

1,90

1,81E-03

1,09E-03

1,96E-03

9,74E-05

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 9504 l spuitvloeistof verspuiten

3,39E-04

6,32

6,02E-03

3,60E-03

6,53E-03

3,24E-04

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

1,41E-04

2,63

2,50E-03

4,45E-03

8,08E-03

1,35E-04

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

1,03E-04

1,91

1,82E-03

3,24E-03

5,88E-03

9,81E-05

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

1,28E-04

2,38

2,26E-03

1,34E-03

2,46E-03

1,22E-04

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,220

<1,0E-3

<1,0E-3

1,0E-3

1,92E-05

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

<1,0E-3

0,220

<1,0E-3

1,0E-3

1,0E-3

1,92E-05

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

<1,0E-3

0,293

<1,0E-3

<1,0E-3

1,0E-3

2,56E-05

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

<1,0E-3

<1,0E-3

1,28E-05

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

<1,0E-3

1,0E-3

1,28E-05

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

<1,0E-3

<1,0E-3

1,28E-05

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

<1,0E-3

0,146

<1,0E-3

<1,0E-3

1,0E-3

1,28E-05

 

Uit tabellen M.9 en M.10 blijkt:

 

Alle onderhavige toepassingen voldoen, voor wat betreft thiacloprid, aan de norm voor algen zoals opgenomen in de UB.

 

Alle onderhavige toepassingen voldoen, voor wat betreft thiacloprid, aan de acute en chronische norm voor vissen zoals opgenomen in de UB.

 

Alle onderhavige toepassingen vormen, voor wat betreft thiacloprid, geen risico voor Lemna gibba.

 

Alle onderhavige toepassingen, uitgezonderd de kastoepassingen (toepassing 4, 18b, 19, 21 en 30 t/m 36), voldoen wat betreft thiacloprid in eerste instantie niet aan de acute norm voor kreeftachtigen zoals opgenomen in de UB. Het chronische risico voor kreeftachtigen is gebaseerd op de chronische NOEC voor D. magna. In een acute studie bleek D. magna echter bijna 3000 maal minder gevoelig dan H. azteca. Het is dan ook waarschijnlijk dat het chronische risico voor kreeftachtigen wordt onderschat met het toepassen van de norm die is afgeleid voor D. magna. Bovendien blijkt uit de eindpuntenlijst dat de haftenlarve Ecydonurus ook zeer gevoelig is voor thiacloprid (EC50 0,0077). Deze is niet meegenomen in de eerste tier beoordeling, maar zou ook leiden tot overschrijding. Vanwege de acute en mogelijk chronische risico's voor kreeftachtigen en insecten wordt een adequate risicobeoordeling met betrekking tot de toxiciteit voor waterorganismen noodzakelijk geacht. Hierbij dient in ieder geval aandacht te worden gegeven aan de chronische toxiciteit van thiacloprid voor H. azteca en aan de toxiciteit voor insecten (Ephemerata).

 

Er is een microcosmstudie uitgevoerd waarin insecten, sedimentorganismen, zooplankton en phytoplankton zijn meegenomen. Uit de microcosmosstudie is een betrouwbaar eindpunt beschikbaar: een EAC van 1,57 µg thiacloprid/L. De EAC van 1,57 µg/L wordt vergeleken met de PIECwater;  onderstaande tabel M.11 geeft de normoverschrijdingen weer.

 

Tabel M.11Normoverschrijdingsfactoren thiacloprid op basis van de microcosmosstudie

Nr

Toepassing

Driftreducerende maatregel

PIEC(voorjaar) /

EAC

PIEC (najaar) /

EAC

 

 

 

 

 

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

0,36

0,36

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

0,36

-

3

hennep: v.g

-

0,36

-

4

hennep: o.g.

-

0,02

-

5a, 8a, 10a, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,91

0,91

5b, 8b, 10b

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,87

0,87

5c, 8c, 10c

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,25

0,25

5d, 8d, 10d

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,36

0,36

5e, 8e, 10e, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,98

0,98

5f, 8f, 10f

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,35

0,99

5g, 8g, 10g

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,97

0,97

5h, 8h, 10h

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,99

0,99

5i, 8i, 10i

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,29

0,29

6a, 9a 12a, 13a

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,998

0,999

6b, 9b 12b, 13b

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,96

0,96

6c, 9c 12c, 13c

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

0,38

0,38

6d, 9d 12d, 13d

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

0,54

0,54

6e, 9e 12e, 13e

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,98

0,98

6f, 9f 12f, 13f

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,35

0,99

6g, 9g, 12g, 13g

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,97

0,97

6h, 9h, 12h, 13h

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,99

0,99

6i, 9i 12i, 13i

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

0,44

0,44

7a, 11a

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,998

0,999

7b, 11b

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,96

0,96

7c, 11c

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,31

0,31

7d, 11d

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,44

0,44

7e, 11e

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,98

0,98

7f, 11f

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,99

0,99

7g, 11g

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

0,97

0,97

7h, 11h

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

0,99

0,99

7i, 11i

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,35

0,35

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

-

0,44

-

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

-

0,44

-

16

blauwe bes

-

0,44

-

17

aardbei

-

0,22

0,22

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

-

0,44

0,44

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

-

0,04

0,04

19

aardbei: o.g.

-

0,05

0,05

20

aardbei: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,53

0,22

21

aardbei: o.g.

-

0,15

0,05

22

augurk, courgette: v.g.

-

0,29

0,29

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

-

0,36

0,36

24

gladiool: v.g.

-

0,89

0,37

25

bloemisterijgewassen: v.g.

-

0,36

0,36

26

bloemisterijgewassen: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,89

0,37

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,40

0,40

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,29

0,29

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 950 l spuitvloeistof verspuiten

0,97

0,97

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,97

0,40

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,71

0,29

29

openbaar groen: v.g.

-

0,36

0,36

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,06

0,06

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,17

0,06

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,08

0,08

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,04

0,04

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,09

0,04

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,04

0,04

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,11

0,04

 

Uit tabel M.11 blijkt dat alle toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor waterorganismen, mits de aangevraagde driftreducerende maatregelen worden toegepast.

 

M02 thiacloprid-amide

De laagste effectconcentraties van M02 (thiacloprid-amide) voor algen, kreeftachtigen en vissen zijn weergegeven in onderstaande tabel, tezamen met de daaruit afgeleide normen voor acute blootstelling.

 

Tabel M.12 Overzicht normen M02

Taxonomische groep

Laagste

Veiligheidsfactor

Norm

 

L(E)C50 [mg/L]

 

[mg/L]

[mg/L]

Acuut

 

 

 

 

Alg

>100

10

>10

>10000

Kreeftachtigen

>47,6

100

>0,476

>476

Vissen

>78,6

100

>0,786

>786

 

De initiële PECs van m02, thiacloprid-amide, zijn afgeleid van de initiële PECs van thiacloprid door deze te vermenigvuldigen met het maximale vormingspercentage van m02 in de waterfase (62%) en de relatieve molmassa (1,07). De PECs zijn weergegeven in tabel M.13.

 


Tabel M.13 Overzicht initiële concentraties m02 in oppervlaktewater per toepassing in voor- en  najaar

Nr

Teelt

Driftreducerende maatregel

PIEC voorjaar

[mg/L]

PIEC najaar

[mg/L]

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

0,3780

0,3781

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

0,3780

-

3

hennep: v.g

-

0,3780

-

4

hennep: o.g.

-

0,0227

-

5a, 8a, 10a, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,9453

0,9453

5b, 8b, 10b

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,9075

0,9075

5c, 8c, 10c

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,2654

0,2647

5d, 8d, 10d

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,3780

0,3781

5e, 8e, 10e, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,0210

1,0210

5f, 8f, 10f

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,0283

1,0283

5g, 8g, 10g

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,0057

1,0057

5h, 8h, 10h

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,0283

1,0283

5i, 8i, 10i

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,3025

0,3025

6a, 9a 12a, 13a

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,0395

1,0402

6b, 9b 12b, 13b

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,9978

0,9984

6c, 9c 12c, 13c

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

0,3969

0,3967

6d, 9d 12d, 13d

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

0,5671

0,5671

6e, 9e 12e, 13e

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,0210

1,0210

6f, 9f 12f, 13f

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

1,0283

1,0283

6g, 9g, 12g, 13g

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,0057

1,0057

6h, 9h, 12h, 13h

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,0283

1,0283

6i, 9i 12i, 13i

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

0,4538

0,4538

7a, 11a

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,0395

1,0402

7b, 11b

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

0,9978

0,9984

7c, 11c

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,3178

0,3178

7d, 11d

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,4536

0,4538

7e, 11e

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,0210

1,0210

7f, 11f

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

1,0283

1,0283

7g, 11g

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,0057

1,0057

7h, 11h

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,0283

1,0283

7i, 11i

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,3629

0,3629

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

-

0,4536

-

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

-

0,4536

-

16

blauwe bes

-

0,4536

-

17

aardbei

-

0,2266

0,2269

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

-

0,4536

0,4538

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

-

0,0454

0,0451

19

aardbei: o.g.

-

0,0524

0,0531

20

aardbei: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,5539

0,2282

21

aardbei: o.g.

-

0,1581

0,0531

22

augurk, courgette: v.g.

-

0,3024

0,3025

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

-

0,3780

0,3781

24

gladiool: v.g.

-

0,9228

0,3808

25

bloemisterijgewassen: v.g.

-

0,3780

0,3781

26

bloemisterijgewassen: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,9228

0,3808

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,4160

0,4160

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,3025

0,3025

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 9504 l spuitvloeistof verspuiten

1,0057

1,0057

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

1,0150

0,4186

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,7377

0,3045

29

openbaar groen: v.g.

-

0,3780

0,3781

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,06

0,06

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,17

0,06

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,08

0,08

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,04

0,04

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,09

0,04

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,04

0,04

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,11

0,04

 

De hoogste initiële belasting van het oppervlaktewater met metaboliet m02, PIEC =
1,0402 mg/L, vindt plaats in het najaar bij toepassingen 6a, 7a, 9a, 12a en 13a. Voor deze toepassingen zijn de overschrijdingsfactoren voor alg, kreeftachtige en vis van m02 bij acute blootstelling respectievelijk 1,04*10-4; 2,2*10-3 en 1,3*10-3.

Mogelijk is metaboliet M02 persistenter dan de de moederstof thiacloprid. De redenering dat de toepassingen met een interval van 60 dagen beschouwd mogen worden als enkelvoudige toepassingen zou dan niet opgaan. Echter, gezien de zeer kleine overschrijdingsfactoren zal dit geen invloed hebben op de conclusie.

Derhalve voldoen alle onderhavige toepassingen wat betreft metaboliet m02 aan de acute normen voor waterorganismen zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor bioconcentratie

 

Thiacloprid

Er zijn geen gegevens betreffende ready biodegradability beschikbaar, derhalve wordt thiacloprid als niet-ready biodegradable beschouwd. Op basis van de log Kow van 1,26 kan een BCF worden berekend van 2,3 L/kg. Thiacloprid voldoet hiermee aan de norm voor bioconcentatie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen.

 

m02 thiacloprid-amide

Er is een studie geleverd waaruit voor m02 een log Kow volgt van ongeveer 0,74. Hieruit kan een BCF berekend worden van 0,85 L/kg. Metaboliet m02 voldoet hiermee aan de norm voor bioconcentatie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen.

 

Risicobeoordeling voor sediment organismen

 

Thiacloprid

De 28- en 56-daagse NOEC van thiacloprid voor Chironomus riparius is 0,001 mg w.s./L. Deze NOEC is gebaseerd op de nominale initiële concentratie in de waterfase en wordt daarom vergeleken met de initiële PEC in oppervlaktewater. Met een veiligheidsfactor van 10 op de NOEC is de norm 0,1 mg/L op basis van de initiële PEC. De initiële PECs en overschrijdings-factoren zijn weergegeven in onderstaande tabel M.14.

 

Tabel M.14 PIEC van thiacloprid en normoverschrijdingsfactoren voor C. riparius voor- en najaar

Nr

Teelt

Driftreducerende maatregel

PIEC voorjaar

[mg/L]

voorjaar PIEC/ (0,1*NOEC)

PIEC najaar

[mg/L]

najaar

PIEC/

(0,1*NOEC)

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

-

0,5698

5,70

0,5700

5,70

2

suiker-voederbiet: v.g.

-

0,5698

5,70

-

-

3

hennep: v.g

-

0,5698

5,70

-

-

4

hennep: o.g.

-

0,0342

0,34

-

-

5a, 8a, 10a, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,4250

14,25

1,4250

14,25

5b, 8b, 10b

appel en peer, jong gewas: v.g. (voor 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,3680

13,68

1,3680

13,68

5c, 8c, 10c

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,4000

4,00

0,3990

3,99

5d, 8d, 10d

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,5698

5,70

0,5700

5,70

5e, 8e, 10e, 

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

1,5390

15,39

1,5390

15,39

5f, 8f, 10f

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,5500

5,50

1,5500

15,50

5g, 8g, 10g

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,5160

15,16

1,5160

15,16

5h, 8h, 10h

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,5500

15,50

1,5500

15,50

5i, 8i, 10i

appel en peer, jong gewas: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1000 l/ha

0,4560

4,56

0,4560

4,56

6a, 9a 12a, 13a

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,5670

15,67

1,5680

15,68

6b, 9b 12b, 13b

appel, pruim, kers: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,5040

15,04

1,5050

15,05

6c, 9c 12c, 13c

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten

0,5983

5,98

0,5980

5,98

6d, 9d 12d, 13d

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit

0,8548

8,55

0,8548

8,55

6e, 9e 12e, 13e

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,5390

15,39

1,5390

15,39

6f, 9f 12f, 13f

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

0,5500

5,50

1,5500

15,50

6g, 9g, 12g, 13g

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,5160

15,16

1,5160

15,16

6h, 9h, 12h, 13h

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,5500

15,50

1,5500

15,50

6i, 9i 12i, 13i

appel, pruim, kers: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij

0,6840

6,84

0,6840

6,84

7a, 11a

peer: v.g. (vóór 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,5670

15,67

1,5680

15,68

7b, 11b

peer: v.g. (vóór 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1100 l/ha

1,5040

15,04

1,5050

15,05

7c, 11c

peer: v.g. (na 1 mei)

tussen watergang en buitenste bomenrij aaneengesloten windscherm, windscherm niet bespoten en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,4790

4,79

0,4790

4,79

7d, 11d

peer: v.g. (na 1 mei)

tunnelspuit en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,6838

6,84

0,6840

6,84

7e, 11e

peer: v.g. (na 1 mei)

teeltvrije zone van 6 meter en maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,5390

15,39

1,5390

15,39

7f, 11f

peer: v.g. (na 1 mei)

sensorgestuurd met maximaal 800 l spuitvloeistof

1,5500

15,50

1,5500

15,50

7g, 11g

peer: v.g. (na 1 mei)

emissiescherm (2,5 m) tussen boomgaard en oppervlaktewater en maximaal 950 l spuitvloeistof

1,5160

15,16

1,5160

15,16

7h, 11h

peer: v.g. (na 1 mei)

dwarsstroomspuit met reflectiescherm en maximaal 850 l spuitvloeistof

1,5500

15,50

1,5500

15,50

7i, 11i

peer: v.g. (na 1 mei)

venturidop in combinatie met éénzijdige bespuiting van de laatste bomenrij en maximale hoeveelheid spuitvloeistof van 1200 l/ha

0,5470

5,47

0,5470

5,47

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

-

0,6838

6,84

-

-

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

-

0,6838

6,84

-

-

16

blauwe bes

-

0,6838

6,84

-

-

17

aardbei

-

0,3416

3,42

0,3420

3,42

18a

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g.

-

0,6838

6,84

0,6840

6,84

18b

braam, framboos, loganbes, taybes : o.g.

-

0,0684

0,68

0,0680

0,68

19

aardbei: o.g.

-

0,0790

0,79

0,0800

0,80

20

aardbei: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

0,8350

8,35

0,3440

3,44

21

aardbei: o.g.

-

0,2383

2,38

0,0800

0,80

22

augurk, courgette: v.g.

-

0,4558

4,56

0,4560

4,56

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

-

0,5698

5,70

0,5700

5,70

24

gladiool: v.g.

-

1,3910

13,91

0,5740

5,74

25

bloemisterijgewassen: v.g.

-

0,5698

5,70

0,5700

5,70

26

bloemisterijgewassen: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

1,3910

13,91

0,5740

5,74

27a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

0,627

6,27

0,6270

6,27

27b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1000 l spuitvloeistof

0,456

4,56

0,4560

4,56

27c

boomkwekerijgewassen (opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 9504 l spuitvloeistof verspuiten

1,5160

15,16

1,5160

15,16

28a

boomkwekerijgewassen (muv spillen en opzetters), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen met maximaal 1100 l spuitvloeistof

1,5300

15,30

0,6310

6,31

28b

boomkwekerijgewassen (spillen), vaste planten: v.g.

langs watergangen maximaal 3 bespuitingen

1,1120

11,12

0,4590

4,59

29

openbaar groen: v.g.

-

0,5698

5,70

0,5700

5,70

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,09

0,9

0,09

0,9

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,26

2,6

0,09

0,9

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,12

1,2

0,12

1,2

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,06

0,6

0,06

0,6

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,14

1,4

0,06

0,6

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,06

0,6

0,06

0,6

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,17

1,7

0,06

0,6

 

Uit het bovenstaande blijkt dat alle onderhavige toepassingen, met uitzondering van de kastoepassingen in hennep; braam, framboos, loganbes en taybes; aardbei tegen bladluizen; vruchtgroenten tegen bladluis; bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen; en bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen en vaste planten (toepassing 4, 18b, 19, 30, 33 en 35), wat betreft thiacloprid niet voldoen aan de normen voor risico sedimentorganismen zoals opgenomen in de UB. Voor de normoverschrijdende toepassingen dient door middel van een nadere adequate risicobeoordeling, te worden aangetoond dat er geen directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de microcosmosstudie. Voor het risico voor sedimentorganismen kan daarom worden verwezen naar de conclusie die hierboven is getrokken bij de risicobeoordeling voor waterorganismen voor thiacloprid. Alle onderhavige toepassingen voldoen derhalve aan de norm voor sedimentorganismen zoals vastgesteld in de UB.

 

m02 thiacloprid-amide

De 28-daagse NOEC van m02 voor C. riparius is 0,1 mg/L, dit was de hoogst geteste concentratie. Deze NOEC is gebaseerd op de nominale initiële concentratie in de waterfase en wordt daarom vergeleken met de initiële PEC van m02 in oppervlaktewater. Met een veiligheidsfactor van 10 op de NOEC is de norm 10 mg/L.

De hoogste initiële belasting van het oppervlaktewater met metaboliet m02, PIEC =
1,0402 mg/L, vindt plaats in het najaar bij toepassingen 6a, 7a, 9a 12a en 13a. Voor deze toepassingen is de normoverschrijdingsfactor 0,10. Derhalve voldoen alle onderhavige toepassingen wat betreft metaboliet m02 aan de normen voor sedimentorganismen zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI)

 

Voor de kastoepassingen kan emissie naar een RWZI niet worden uitgesloten. De EC50 voor effecten van thiacloprid op actief slib bedraagt 6630 mg/L (respiratie). Op dit moment kan de concentratie aan thiaclopid in het influent van een RWZI voor de onderhavige toepassingen niet worden berekend, omdat goede modellen niet beschikbaar zijn.

 

Risicobeoordeling voor terrestrische organismen

 

Risicobeoordeling voor vogels

 

Vogels kunnen worden blootgesteld aan de werkzame stof via natuurlijk voedsel (bespoten insecten, zaden, bladeren), drinkwater en ten gevolge van doorvergiftiging.

 

Voedsel en drinkwater

De norm voor vogels wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor acute en korte termijn blootstelling gesteld wordt op 0,1 maal de LD50- en LC50-waarde, en de norm voor chronische blootstelling op 0,2 maal de NOEC. In tabel M.15 wordt een overzicht gegeven van de toxiciteitswaarden en de daaruit volgende normen.

 

Tabel M.15 Overzicht normen vogels

stof

Blootstelling

 

Eindpunt

Veiligheids-factor

Norm

 

 

 

[mg/kg bw/d]

 

[mg/kg bw/d]

thiacloprid

acuut

LD50 

49

10

4,9

 

 

 

[mg/kg voer]

 

[mg/kg voer]

 

korte termijn

LC50

2500

10

250

 

lange termijn

NOEC   

60

5

12

 

 

 

 

 

 

 

Bij de risicoschatting is uitgegaan van een kleine vogelsoort met een lichaamsgewicht (lg) van 10 gram, een dagelijkse voedselconsumptie (DFI) van 2,9 g/d en een dagelijkse waterconsumptie (DWI) van 3 g.

De initiële concentratie in het voer is berekend door middel van de relatie van Luttik et al. voor bladeren, bladerrijk gewas, voedergewassen en kleine zaden en insecten als 25 * dosering. Bij de kastoepassingen wordt blootstelling van vogels via voer uitgesloten. Er worden maximaal drie toepassingen gesommeerd. In eerste instantie wordt voor acute, korte termijn en lange termijn blootstelling getoetst aan de PIECvoer, waarbij geen rekening wordt gehouden met afbraak van het residu tussen toepassingen.

De concentratie in het oppervlaktewater is berekend volgens TOXSWA (zie risico voor waterorganismen; per toepassing wordt de hoogste waarde van voorjaar en najaar en van de verschillende driftreducerende maatregelen gebruikt). Voor acute blootstelling wordt getoetst aan de PIECwater.

In tabel M.16 wordt een overzicht gegeven van de berekende concentraties in het voedsel en water.

 

Tabel M.16 Overzicht concentraties in voedsel

 

Toepassing

dosering

Max. freq.

PIECvoer

PIECwater

 

 

[kg/ha]

 

[mg/kg]

[mg/L]

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

0,12

3*

9

0,570

2

suiker-voederbiet: v.g.

0,12

3*

9

0,570

3

hennep: v.g

0,12

3*

9

0,570

4

hennep: o.g.

0,072

3*

-

0,034

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

6

appel: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

7

peer: v.g.

0,144

3*

10,8

1,568

8

appel, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

9

appel: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

10

peer, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

11

peer: v.g.

0,144

3*

10,8

1,568

12

pruim, kers: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

13

pruim, kers: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

0,144

3*

10,8

0,684

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

0,144

3*

10,8

0,684

16

blauwe bes

0,144

3*

10,8

0,684

17

aardbei

0,072

3*

5,4

0,342

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

0,144

3*

10,8

0,684

19

aardbei: o.g.

0,168

3*

-

0,080

20

aardbei: v.g.

0,072

4

5,4

0,835

21

aardbei: o.g.

0,168

4

-

0,238

22

augurk, courgette: v.g.

0,096

3*

7,2

0,456

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

24

gladiool: v.g.

0,12

3

9

1,391

25

bloemisterijgewassen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

26

bloemisterijgewassen: v.g.

0,12

4

9

1,391

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

0,12

3*

9

1,516

28

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

0,12

4

9

1,530

29

openbaar groen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

30

vruchtgroenten: o.g.

0,18

3*

-

0,09

31

vruchtgroenten: o.g.

0,18

4

-

0,26

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

0,24

3*

-

0,12

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

0,12

3*

-

0,06

34

gladiool: o.g.

0,12

3

-

0,14

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

0,12

3*

-

0,06

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

0,12

4

-

0,17

*de toepassingen met interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen

 

In tabel M.17 de normoverschrijdingsfactoren bij blootstelling aan voedsel en drinkwater opgenomen.

 

Tabel M.17 Normoverschrijding natuurlijk voedsel en drinkwater

 

Toepassing

Normoverschrijding

 

 

water, acuut

voedsel, acuut

voedsel, korte termijn

voedsel, lange termijn

 

 

PIEC*DWI/ 0,1*LD50doel-soort

PIEC*DFI/ 0,1*LD50doel-soort

PIEC/ 0,1*LC50

PIEC/ 0,2*NOEC

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

2

suiker-voederbiet: v.g.

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

3

hennep: v.g

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

4

hennep: o.g.

2,1*10-6

-

-

-

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

9,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

6

appel: v.g.

9,6*10-5

0,80

5,4*10-2

1,1

7

peer: v.g.

9,6*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

8

appel, jong gewas: v.g.

9,6*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

9

appel: v.g.

9,6*10-5

0,80

5,4*10-2

1,1

10

peer, jong gewas: v.g.

9,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

11

peer: v.g.

9,6*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

12

pruim, kers: v.g.

9,6*10-5

0,80

5,4*10-2

1,1

13

pruim, kers: v.g.

9,6*10-5

0,80

5,4*10-2

1,1

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

4,2*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

4,2*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

16

blauwe bes

4,2*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

17

aardbei

2,1*10-5

0,32

2,2*10-2

0,45

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

4,2*10-5

0,64

4,3*10-2

0,9

19

aardbei: o.g.

4,9*10-6

-

-

-

20

aardbei: v.g.

5,1*10-5

0,32

2,9*10-2

0,60

21

aardbei: o.g.

1,5*10-5

-

 

-

22

augurk, courgette: v.g.

2,8*10-5

0,43

2,9*10-2

0,60

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

24

gladiool: v.g.

8,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

25

bloemisterijgewassen: v.g.

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

26

bloemisterijgewassen: v.g.

8,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

9,3*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

28

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

9,4*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

29

openbaar groen: v.g.

3,5*10-5

0,53

3,6*10-2

0,75

30

vruchtgroenten: o.g.

5,5*10-6

-

-

-

31

vruchtgroenten: o.g.

1,6*10-5

-

-

-

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

7,4*10-6

-

-

-

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

3,7*10-6

-

-

-

34

gladiool: o.g.

8,6*10-6

-

-

-

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

3,7*10-6

-

-

-

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

1,0*10-5

-

-

-

 

Wanneer bovenstaande gegevens in ogenschouw worden genomen blijkt dat voor alle toepassingen behalve toepassing 6, 9, 12 en 13 van het onderhavige middel een gering risico voor vogels verwacht kan worden bij het foerageren en bij het drinken van oppervlaktewater. Bij toepassing 6, 9, 12 en 13 wordt het chronische risico voor vogels bij foerageren overschreden. Daarom wordt voor deze vier toepassingen een verfijnde risicobeoordeling gedaan waarin uitgegaan wordt van tussentijdse afbraak van residu op gewas. Aangezien de halfwaardetijd van het middel op plantaardig voedsel niet bekend is, wordt in eerste instantie uitgegaan van een standaard DT50 van 10 dagen zoals beschreven in het Guidance Document for Birds and Mammals. Bij de bepaling van de PIECvoer wordt dan een MAF (Multiple Application Factor) toegepast, waarin de frequentie en het interval verwerkt zijn. Zie tabel M.18.

 


Tabel M.18 Overzicht concentraties in voedsel, inclusief afbraak op gewas

Toepassing

dosering

Max. freq.

Min. int.

MAF

PIECvoer

Normoverschrijding voedsel, lange termijn

 

[kg/ha]

 

 

 

[mg/kg]

PIEC/ 0,2*NOEC

toepassing 6, 9, 12, 13

0,18

3

60

1,02

0,18

1,5*10-2

 

Wanneer tabel M.18 in ogenschouw wordt genomen, blijkt dat de toepassingen 6, 9, 12 en 13 ook voldoen aan de norm voor chronische blootstelling via voedsel voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Doorvergiftiging  

Op grond van de lage BCF wordt het risico op doorvergiftiging gering geacht.

 

Alle onderhavige toepassingen voldoen aan de normen voor vogels zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor zoogdieren

 

Voedsel en drinkwater

De norm voor zoogdieren wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor acute en korte termijn blootstelling gesteld wordt op 0,1 maal de LD50- en LC50-waarde, en de norm voor chronische blootstelling op 0,2 maal de NOEC. In tabel M.19 wordt een overzicht gegeven van de toxiciteitswaarden en de daaruit volgende normen.

 

Tabel M.19 Overzicht normen zoogdieren

stof

Blootstelling

 

Eindpunt

Veiligheids-factor

Norm

 

 

 

[mg/kg bw/d]

 

[mg/kg bw/d]

thiacloprid

acuut

LD50 

444

10

44,4

 

 

 

[mg/kg voer]

 

[mg/kg voer]

 

lange termijn

NOEC   

50

5

10

 

 

 

 

 

 

 

Bij de risicoschatting is uitgegaan van een zoogdier van 6 g met een dagelijkse voedselopname (DFI) van 1,025 g voer en een dagelijkse wateropname (DWI) van 1,8 g.

De initiële concentratie in het voer is berekend door middel van de relatie van Luttik et al. voor bladeren, bladerrijk gewas, voedergewassen en kleine zaden en insecten als 25 * dosering. Bij de kastoepassingen wordt blootstelling van zoogdieren via voer uitgesloten. Er worden maximaal drie toepassingen gesommeerd. In eerste instantie wordt voor acute, korte termijn en lange termijn blootstelling getoetst aan de PIECvoer, waarbij geen rekening wordt gehouden met afbraak van het residu tussen toepassingen.

De concentratie in het oppervlaktewater is berekend volgens TOXSWA (zie risico voor waterorganismen; per toepassing wordt de hoogste waarde van voorjaar en najaar en van de verschillende driftreducerende maatregelen gebruikt)). Voor acute blootstelling wordt getoetst aan de PIECwater.

In tabel M.20 wordt een overzicht gegeven van de berekende concentraties in het voedsel en water (NB deze tabel is gelijk aan tabel M.17).

 


Tabel M.20 Overzicht concentraties in voedsel

 

Toepassing

dosering

Max. freq.

PIECvoer

PIECwater

 

 

[kg/ha]

 

[mg/kg]

[mg/L]

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

0,12

3*

9

0,570

2

suiker-voederbiet: v.g.

0,12

3*

9

0,570

3

hennep: v.g

0,12

3*

9

0,570

4

hennep: o.g.

0,072

3*

-

0,034

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

6

appel: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

7

peer: v.g.

0,144

3*

10,8

1,568

8

appel, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

9

appel: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

10

peer, jong gewas: v.g.

0,12

3*

9

1,550

11

peer: v.g.

0,144

3*

10,8

1,568

12

pruim, kers: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

13

pruim, kers: v.g.

0,18

3*

13,5

1,568

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

0,144

3*

10,8

0,684

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

0,144

3*

10,8

0,684

16

blauwe bes

0,144

3*

10,8

0,684

17

aardbei

0,072

3*

5,4

0,342

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

0,144

3*

10,8

0,684

19

aardbei: o.g.

0,168

3*

-

0,080

20

aardbei: v.g.

0,072

4

5,4

0,834

21

aardbei: o.g.

0,168

4

-

0,238

22

augurk, courgette: v.g.

0,096

3*

7,2

0,456

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

24

gladiool: v.g.

0,12

3

9

1,391

25

bloemisterijgewassen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

26

bloemisterijgewassen: v.g.

0,12

4

9

1,391

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

0,12

3*

9

1,516

28

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

0,12

4

9

1,530

29

openbaar groen: v.g.

0,12

3*

9

0,570

30

vruchtgroenten: o.g.

0,18

3*

-

0,09

31

vruchtgroenten: o.g.

0,18

4

-

0,26

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

0,24

3*

-

0,12

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

0,12

3*

-

0,06

34

gladiool: o.g.

0,12

3

-

0,14

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

0,12

3*

-

0,06

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

0,12

4

-

0,17

*de toepassingen met interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen

 

In tabel M.21 zijn de normoverschrijdingsfactoren bij blootstelling aan voedsel en drinkwater opgenomen.

 

Tabel M.21 Normoverschrijding natuurlijk voedsel en drinkwater

 

Toepassing

Normoverschrijding

 

 

water, acuut

voedsel, acuut

voedsel, lange termijn

 

 

PIEC*DWI/ 0,1*LD50doelsoort

PIEC*DFI/ 0,1*LD50doelsoort

PIEC/ 0,2*NOEC

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

2

suiker-voederbiet: v.g.

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

3

hennep: v.g

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

4

hennep: o.g.

2,3*10-7

-

-

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

1,0*10-5

3,5*10-2

0,9

6

appel: v.g.

1,1*10-5

5,2*10-2

1,4

7

peer: v.g.

1,1*10-5

4,2*10-2

1,1

8

appel, jong gewas: v.g.

1,0*10-5

3,5*10-2

0,9

9

appel: v.g.

1,1*10-5

5,2*10-2

1,4

10

peer, jong gewas: v.g.

1,0*10-5

3,5*10-2

0,9

11

peer: v.g.

1,1*10-5

4,2*10-2

1,1

12

pruim, kers: v.g.

1,1*10-5

5,2*10-2

1,4

13

pruim, kers: v.g.

1,1*10-5

5,2*10-2

1,4

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

4,6*10-6

4,2*10-2

1,1

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

4,6*10-6

4,2*10-2

1,1

16

blauwe bes

4,6*10-6

4,2*10-2

1,1

17

aardbei

2,3*10-6

2,1*10-2

0,54

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

4,6*10-6

4,2*10-2

1,1

19

aardbei: o.g.

5,4*10-7

-

-

20

aardbei: v.g.

5,6*10-6

2,1*10-2

0,54

21

aardbei: o.g.

1,6*10-6

-

-

22

augurk, courgette: v.g.

3,1*10-6

2,8*10-2

0,72

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

24

gladiool: v.g.

9,4*10-6

3,5*10-2

0,9

25

bloemisterijgewassen: v.g.

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

26

bloemisterijgewassen: v.g.

9,4*10-6

3,5*10-2

0,9

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

1,0*10-5

3,5*10-2

0,9

28

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

1,0*10-5

3,5*10-2

0,9

29

openbaar groen: v.g.

3,9*10-6

3,5*10-2

0,9

30

vruchtgroenten: o.g.

6,1*10-7

-

-

31

vruchtgroenten: o.g.

1,8*10-6

-

-

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

8,1*10-7

-

-

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

4,1*10-7

-

-

34

gladiool: o.g.

9,5*10-7

-

-

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

4,1*10-7

-

-

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

1,1*10-6

-

-

 

Wanneer bovenstaande gegevens in ogenschouw worden genomen blijkt dat voor alle toepassingen behalve toepassing 6, 7, 9, 11 t/m 16 en 18 van het onderhavige middel een gering risico voor zoogdieren verwacht kan worden bij het foerageren en bij het drinken van oppervlaktewater. Bij toepassing  6, 7, 9, 11 t/m 16 en 18 wordt het chronische risico voor zoogdieren bij foerageren overschreden. Daarom wordt voor deze toepassingen een verfijnde risicobeoordeling gedaan waarin uitgegaan wordt van tussentijdse afbraak van residu op gewas. Aangezien de halfwaardetijd van het middel op plantaardig voedsel niet bekend is, wordt in eerste instantie uitgegaan van een standaard DT50 van 10 dagen zoals beschreven in het Guidance Document for Birds and Mammals. Bij de bepaling van de PIECvoer wordt dan een MAF (Multiple Application Factor) toegepast, waarin de frequentie en het interval verwerkt zijn. Zie tabel M.22.

 

Tabel M.22 Overzicht concentraties in voedsel, inclusief afbraak op gewas

Toepassing

dosering

Max. freq.

Min. int.

MAF

PIECvoer

Normoverschrijding voedsel, lange termijn

 

[kg/ha]

 

 

 

[mg/kg]

PIEC/ 0,2*NOEC

toepassing 6, 9, 12, 13

0,18

3

60

1,02

0,18

1,5*10-2

toepassing 7, 11, 14, 15, 16, 18

0,144

3

60

1,02

0,15

1,5*10-2

 

Wanneer tabel M.20 in ogenschouw wordt genomen, blijkt dat de toepassingen 6, 7, 9, 11 t/m 16 en 18 ook voldoen aan de norm voor chronische blootstelling via voedsel voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Doorvergiftiging

Op grond van de lage BCF wordt het risico op doorvergiftiging gering geacht.

 

Alle onderhavige toepassingen voldoen aan de normen voor zoogdieren zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor bijen en hommels

 

De risicobeoordeling voor bijen en hommels is gebaseerd op de verhouding tussen dosering en toxiciteit: dosering in g/ha en de LD50 in mg/bij. De norm, zoals opgenomen in de UB, is: dosering/LD50 <50. De laagste LD50 van thiacloprid voor bijen is 3,4 mg w.s./bij uit een studie met de SC 480 formulering (bevat 40% thiacloprid). Tabel M.23 bevat alle doseringen die bij de aangevraagde toepassingen horen en hun normoverschrijdingen.

 


Tabel M.23 Normoverschrijding voor bijen en hommels

Toepassing nr

Dosering [g w.s./ha]

Dosering/LD50

normoverschrijding

4, 17, 20

72

21,2

0,42

22

96

28,2

0,56

1-3, 5,  8, 10, 23-29, 33-36

120

35,3

0,71

7, 11, 14-16, 18

144

42,3

0,85

19, 21

168

49,4

0,99

6, 9, 12, 13, 30, 31

180

52,9

1,1

32

240

70,6

1,4

 

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in eerste instantie alle onderhavige toepassingen uitgezonderd de toepassingen in appel ter bestrijding van bladluis, appelzaagwesp en groene appelwants, en in pruim en kers ter bestrijding van bladluis en groene appelwants en de kastoepassingen in vruchtgroenten voldoen aan de normen voor bijen en hommels zoals opgenomen in de UB. Toepassing 32 betreft een druppelbehandeling, waarbij de plant niet bespoten wordt en dus geen rechtstreekse blootstelling van bijen en hommels plaatsvindt. Wel kan blootstelling via systemische werking plaatvinden.

 

De normoverschrijdende toepassingen dienen getoetst te worden aan kooiproef of semiveld gegevens. Uit de resultaten van kooi- en semi-veldtoetsen uitgevoerd met de SC 480 formulering blijkt dat de dosering 180 g w.s./ha geen effect heeft op overleving, gedrag en ontwikkeling van het broed. Aangenomen wordt dat deze dosering hoog genoeg is om ook toepassing 32, druppelbehandeling met dosering van 240 g/ha, te dekken. Op basis van hogere tier data blijkt dat alle onderhavige toepassingen voldoen aan de normen voor bijen en hommels zoals opgenomen in de UB.

 

Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden

 

Voor de aangevraagde toepassingen zijn alle geteste groepen (parasitoïden, roofmijten en bodem- en bladbewonende predatoren) relevant. De testen zijn uitgevoerd met de aangevraagde SC 480 formulering. Alle hieronder genoemde effectpercentages zijn gecorrigeerd voor letale en subletale effecten in de controle.

 

Om de geteste doseringen te kunnen vergelijken met de aangevraagde doseringen dient met behulp van een Multiple Application Factor (MAF) rekening gehouden te worden met afbraak van residu. De afbraaktijd van thiacloprid op gewas is niet bekend. Daarom wordt de standaard MAF genomen zoals beschreven in HTB 0.2. De uiteindelijke dosering wordt berekend als enkelvoudige dosering * MAF.

De toepassingen met interval van 60 dagen (toepassingen 1-19, 22-23, 25, 27, 29, 30, 32, 33, 35) worden gezien als enkelvoudige, omdat dit interval zo groot is dat het residu zeer waarschijnlijk verdwenen zal zijn in de tussentijd.

Voor de overige toepassingen, met interval 7 dagen, gelden de volgende MAF-waarden:

toepassing 20, 21, 26, 28, 31 en 36 (frequentie 4): MAF = 3,4 voor bodembewoners en
2,7 voor bladbewoners;

toepassing 24 en 34 (frequentie 3): MAF = 2,7 voor bodembewoners en 2,3 voor bladbewoners.

 

Voor labtesten geldt een trigger van 30% effect of, voor de standaardsoorten Aphidius rhopalosiphi en Typhlodromus pyri, een HQ van 2. Voor extended lab- en (semi)veldtesten geldt voor alle soorten een trigger van 50% effect of een HQ van 1.

 

Parasitoïden

Aphidius rhopalosiphi

Bij blootstelling van de sluipwesp Aphidius rhopalosiphi aan residuen van 70 g w.s./ha op glas was er 86% sterfte. Bij bespuiting van dieren in het pop-stadium was er 22% sterfte.

Er zijn twee LC50-waarden beschikbaar uit extended labtesten (blootstelling op appelblad): 6,8 en 6,75 g ws/ha. Met de laagste hiervan kan een HQ berekend worden zowel voor in field als voor off field volgens de nieuwe toetsingswijze op basis van de SETAC/ESCORT 2 workshop, zoals beschreven in het HTB 0.2. Toepassing 32 betreft een druppelbehandeling met dosering 0,24 kg w.s./ha en frequentie van maximaal 3. Bij deze behandeling zal alleen blootstelling van niet-doelwit arthropoden aan thiacloprid optreden wanneer dit wordt opgenomen door de plant. Aangezien niet verwacht wordt dat de volledige dosering opgenomen wordt door de plant, kan aangenomen worden dat de berekeningen hieronder voldoende zijn om het risico bij toepassing 32 in te schatten. Zie tabel M.24.

 

Tabel M.24 HQ-waarden voor A. rhopalosiphi

 

Dosering

(kg w.s./ha)

MAF1

Driftfactor/

vegetatie-factor2

Veiligheids-

factor2

LR50

(kg w.s./ha)

HQ (trigger = 1)

In-field

 

 

 

 

 

 

maximale dosering, éénmalig

0,18

 

1

 

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

26,7

 

minimale dosering éénmalig

0,072

1

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

10,7

maximale dosering, 4x

0,168

2,7

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

67,2

maximale dosering, 3x

0,12

2,3

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

40,9

minimale dosering, 4x

0,072

2,7

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

28,8

minimale dosering, 3x

0,12

2,3

n.v.t.

n.v.t.

0,00675

40,9

Off-field

 

 

 

 

 

 

maximale dosering, éénmalig

0,18

 

1

 

0,01

10

0,00675

2,67

 

minimale dosering éénmalig

0,072

1

0,01

10

0,00675

1,07

maximale dosering, 4x

0,168

2,7

0,01

10

0,00675

6,72

maximale dosering, 3x

0,12

2,3

0,01

10

0,00675

4,09

minimale dosering, 4x

0,072

2,7

0,01

10

0,00675

2,88

minimale dosering, 3x

0,12

2,3

0,01

10

0,00675

4,09

1: Multiple Application Factor

2: drift factor = 10%, vegetatieverdunningsfactor = 10, veiligheidsfactor = 10 (dit zijn vooralsnog defaultwaarden)

 

Uit tabel M.24 blijkt dat op grond van de resultaten van deze extended-labtesten een risico voor A. rhopalosiphi bij alle aangevraagde toepassingen zowel in-field als off-field niet is uitgesloten.

In een semi-veldexperiment (driedimensionaal) werd bij doseringen tot 375 g w.s./ha geen verhoogd vermijdingsgedrag gevonden. Bij een dosering van 60 g w.s./ha was er vermindering in fertiliteit van 31%, bij doseringen van 188 en 375 g w.s./ha was deze vermindering respectievelijk 94 en 84% (deze studie is niet opgenomen in de LoE, maar wordt wel besproken in de monograph). Op grond van het bovenstaande is een risico voor
A. rhopalosiphi niet voor alle toepassingen uit te sluiten.

 

Trichogramma cacoeciae

In een studie met een kas- en een semiveld-component werd de ontwikkeling van Trichogramma cacoeciae in de gastheer-eieren geremd met 35 tot 49% na bespuiting van de gastheer eieren met een oplossing van 0,25 mL/L en incubatie in een kas. In eenzelfde experiment, waarbij de incubatie onder veldomstandigheden plaatsvond, werd geen effect gevonden. De concentratie van de gebruikte oplossing is gelijk aan de concentratie van de praktijkdosering (0,025% Calypso).

Op basis van deze resultaten zou er bij de kastoepassingen (nummer 4, 18, 19, 21, 30 t/m 36) een effect op T. cacoeciae kunnen worden verwacht. Omdat de bespuiting in het experiment werd uitgevoerd tot aan run-off, mag echter worden aangenomen dat de blootstelling hoger is geweest dan in de praktijk. Het risico voor T. cacoeciae bij de aangevraagde toepassingen wordt gering geacht.

 

Roofmijten

Typhlodromus pyri

Bij blootstelling van Typhlodromus pyri aan residuen op glas was het effect op overleving 36, 48 en 44% bij doseringen van 60, 200 en 400 g w.s./ha. Het effect op reproductie was respectievelijk 63, 78 en 93%, en het gecombineerde effect was 76, 88 en 96%.

In een veldexperiment, waarin een appelboomgaard tweemaal werd behandeld met
180 g w.s./ha, was er 7 dagen na de tweede bespuiting een significante vermindering (53%) in het aantal mijten, daarna tradt herstel op (na nog eens 20 dagen nog 32% negatief effect, 30 dagen daarna geen negatieve effecten meer). In een ander veldexperiment, met doseringen van 180 en 202 g w.s./ha en een spuitinterval 28 dagen, werden 8 en 28 dagen na de tweede bespuiting geen effecten waargenomen. In een derde experiment, met doseringen van 188 en 176 g w.s./ha en een spuitinterval van 10 dagen, werden geen significante effecten gevonden na de eerste of tweede behandeling.

Op grond van deze veldexperimenten wordt bij de toepassingen op de volle grond geen risico verwacht voor T. pyri. De resultaten van deze experimenten kunnen echter niet worden gebruikt voor het beoordelen van de risico's van kastoepassingen. Aanvullende gegevens voor deze toepassingen worden noodzakelijk geacht. Hierbij moet aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid van een meervoudige behandeling.

Momenteel is een risico voor Typhlodromus pyri bij de aangevraagde kastoepassingen niet uitgesloten. Ook voor het gebruik van T. pyri als natuurlijke vijand in vollegrondstoepassingen is een risico niet uit te sluiten, aangezien er in een veldtest een siginificant negatief effect werd gevonden (waarna herstel optrad, maar dat is voor de ingezette natuurlijke vijanden niet van toepassing). Derhalve dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst.

 

Bodembewonende predatoren

Poecilus cupreus

Een directe bespuiting met 100 en 216 g w.s./ha had geen effect op de overleving van de kever Poecilus cupreus. Het effect op voedselconsumptie was niet eenduidig: bij 100 g w.s./ha was er een remming van 39% (significant), bij 216 g w.s./ha was er een niet-significante remming van 22%. Beide doseringen hadden wel een effect op het gedrag: bij 100 g w.s./ha vertoonde 50% van de dieren afwijkend gedrag, bij 216 g w.s./ha was dit 90%.

In een semi-veldexperiment met dezelfde soort werd bij een tweevoudige dosering van
150 g w.s./ha met een 7-daags spuitinterval geen effect op overleving waargenomen. De voedselconsumptie van de dieren in de thiacloprid-behandeling was 50% lager dan in de controle, maar vanwege de zeer lage absolute consumptie is de betekenis van deze waarneming twijfelachtig.

Om de geteste doseringen te kunnen vergelijken met de aangevraagde doseringen dient met behulp van een Multiple Application Factor (MAF) rekening gehouden te worden met afbraak van residu. De afbraaktijd van thiacloprid op gewas is niet bekend. Daarom wordt de standaard MAF genomen voor bodembewoners zoals beschreven in HTB 0.2. Deze bedraagt 1,9 bij twee toepassingen, 2,7 bij 3 toepassingen, en 3,4 bij vier toepassingen.

De geteste dosering bedraagt dus 0,15 *1,9 = 0,285 kg/ha.

De toepassingen met interval van 60 dagen worden gezien als enkelvoudige, omdat dit interval zo groot is dat het residu waarschijnlijk verdwenen zal zijn. Deze toepassingen
(1-19, 22-23, 25, 27, 29, 30, 32, 33, 35) worden gedekt door de studie.

Voor de overige toepassingen, met interval 7 dagen, geldt het volgende:

toepassing 20: 0,072 * 3,4 = 0,24 kg/ha: wordt gedekt door de studie.

toepassing 21: 0,168 * 3,4 = 0,571 kg/ha: wordt niet gedekt door de studie.

toepassing 24 en 34: 0,12 * 2,7 = 0,324 kg/ha: wordt niet gedekt door de studie.

toepassing 26, 28 en 36: 0,12 * 3,4 = 0,408 kg/ha: wordt niet gedekt door de studie.

toepassing 31: 0,18 * 3,4 = 0,612 kg/ha: wordt niet gedekt door de studie.

Op grond van deze resultaten wordt een groot risico voor P. cupreus verwacht bij de toepassingen 21, 24, 26, 28, 31, 34 en 36 van Calypso, en een gering risico bij de overige toepassingen. Veldonderzoek met relevante dosering wordt noodzakelijk geacht. 

Momenteel is een risico voor P. cupreus bij de aangevraagde toepassingen niet uitgesloten. Derhalve dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst.

 

Aleochara bilineata

Een directe bespuiting van Aleochara bilineata op kwartszand met 187,5 g w.s./ha had geen effect op de overleving van deze kever, bij 375 g w.s./ha was er een effect van 16%. De reproductie was bij deze doseringen echter geremd met respectievelijk 97 en 99%. In een
83-daags experiment met dezelfde doseringen op natuurlijke grond was er een geringe sterfte (6,6%) bij de hoogste dosering van 375 g w.s./ha, en was er bij beide doseringen een kleine toename in de reproductie.

Op grond van deze resultaten wordt een gering risico voor A. bilineata verwacht bij de aangevraagde toepassingen.

 

Pardosa spp

Een directe bespuiting van Pardosa spp. op kwartszand met 187,5 g w.s./ha had een niet-significante sterfte van 19% tot gevolg. De voedselconsumptie was geremd met 32% over de eerste 7 dagen, in de tweede week was de consumptie weer op controleniveau. Bij
375 g w.s./ha was er een sterfte van 69% en was er gedurende de hele testduur een effect op de voedselconsumptie van (63% over 14 dagen). Bij beide doseringen was er de eerste
4 dagen een verminderde mobiliteit bij alle dieren.

Op basis van deze resultaten wordt een risico voor Pardosa bij de aangevraagde toepassingen niet uitgesloten, met uitzondering van nummer 32 (toepassing op substraatteelt). Aanvullende gegevens van een toets op natuurlijk substraat of van een (semi)-veldexperiment bij de maximale praktijkdosering worden noodzakelijk geacht. Hierbij moet aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid van een meervoudige toepassing.

Momenteel is een risico voor Pardosa spp. bij de aangevraagde toepassingen niet uitgesloten. Derhalve dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst.

 

Bladbewonende predatoren

Chrysoperla carnea

In een toets met Chrysoperla carnea werden dieren blootgesteld aan een directe bespuiting met 0,9, 7,2 en 72 g w.s./ha op bladeren. De bladeren waren 7 dagen tevoren met dezelfde dosering bespoten en buiten geïncubeerd. Het effect op overleving was respectievelijk 6, 20 en 54%, het effect op fertiliteit was 58, 21 en 83%, het gecombineerde effect 60, 37 en 92%.

Op grond van deze resultaten is een risico voor C. carnea bij de aangevraagde toepassingen niet uit te sluiten. Aanvullende gegevens van een (semi)-veldexperiment bij de maximale praktijkdosering worden noodzakelijk geacht. Hierbij moet ook aandacht worden gegeven aan de risico's van toepassingen in kassen en moet de mogelijkheid van een herhaalde toepassing in beschouwing worden genomen.

Momenteel is een risico voor C. carnea bij de aangevraagde toepassingen niet uitgesloten. Derhalve dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst.

 

Coccinella septempunctata

Bij blootstelling van Coccinella septempunctata aan residuen op glas was er 25% sterfte bij een dosering van 0,96 g w.s./ha, bij doseringen van 9,6 en 19,2 g w.s./ha was dit respectievelijk 49 en 94%. Bij dit experiment was er in de controle echter sprake van een hoge sterfte en een grote variatie in reproductie. In een soortgelijk experiment op glas was er geen effect op overleving bij 4,8 g w.s./ha, bij 14,4 g w.s./ha was er 7% sterfte. Het effect op reproductie was bij deze doseringen respectievelijk 36 en 40%. In alle experimenten was er 100% sterfte bij doseringen van 56,7 g w.s./ha en hoger.

Bij blootstelling aan residuen op blad was er 100% sterfte bij een dosering van
38,4 g w.s./ha.

Bij een buiten uitgevoerde directe bespuiting van larven op blad (driedimensionaal) was er 75 en 85% sterfte bij doseringen van 60 en 188 g w.s./ha. In deze studie was er bij de hoogste dosering geen negatief effect op de reproductie (effect < 50%).

Verder is een LC50-waarde beschikbaar uit een glasplaattest: 24,8 g ws/ha. Hiermee kan een HQ berekend worden zowel voor in field als voor off field volgens de nieuwe toetsingswijze op basis van de SETAC/ESCORT 2 workshop, zoals beschreven in het HTB v 0.2. Er is echter nog geen overeenstemming bereikt over de triggerwaarde bij andere soorten dan Aphidius rhopalosiphi en Typhlodromus pyri. Daarom wordt als worst case bij deze soort een effectpercentage van 30% als trigger aangehouden. De gevonden effecten op mortaliteit zijn >30% bij doseringen van  3,0  en 19,2 g w.s./ha, en <30% bij doseringen van 0,36, 0,97 en 9,6 g w.s./ha. Op reproductie werd bij deze doseringen geen negatief effect gevonden.

In een aged residustudie werden tomatenplanten tot run off bespoten met 3 x
180 g w.s. /ha. Bij blootstelling van larven aan deze planten op verschillende tijdstippen bleek dat na 1u de sterfte  96% was en na 28 dagen < 50%.  De veroudering van de residuen vond echter buiten plaats en is daarom niet representatief voor kasomstandigheden. Afgezien daarvan is bovendien herstel niet relevant voor het risico voor ingezette natuurlijke vijanden, waar het bij de kastoepassingen om gaat. Ook voor de beoordeling van het risico voor ingezette natuurlijke vijanden in de vollegrondstoepassingen zijn aged residue testen niet relevant. Voor de vollegrondstoepassingen waarbij het niet gaat om ingezette natuurlijke vijanden is met de aged residue test aangetoond dat herstel mogelijk is binnen een ecologische relevante periode, waarmee het risico voor Coccinella septempunctata acceptabel is.

 

 Op grond van deze resultaten is een risico voor C. septempunctata bij de aangevraagde kastoepassingen en vollegrondstoepassingen waarbij C. septempunctata  wordt ingezet als natuurlijke vijand, niet uit te sluiten. Aanvullende gegevens van een (semi)-veldexperiment bij de maximale praktijkdosering worden noodzakelijk geacht. Hierbij moet ook aandacht worden gegeven aan de risico's van toepassingen in kassen en moet de mogelijkheid van een herhaalde toepassing in beschouwing worden genomen. Voor de toepassingen waarbij C. septempunctata niet wordt ingezet (maar wel van nature kan voorkomen), is het risico acceptabel.

Momenteel is een risico bij de aangevraagde toepassingen waarbij C.  septempunctata wordt ingezet als natuurlijke vijand, niet uitgesloten. Derhalve dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst.

 

Samenvatting en conclusie

 

Uit de LR50-waarden van lab- en extended labtesten lijkt Aphidius rhopalosiphi het gevoeligste organisme voor thiacloprid te zijn. Uit hogere tier testen in een driedimensionaal systeem blijkt echter, dat Coccinella septempunctata gevoeliger is dan A. rhopalosiphi. Daarom is met C. septempunctata een aged residue test uitgevoerd. Hieruit blijkt dat na
28 dagen de effecten van thiacloprid verdwenen zijn. Na ongeveer een maand kan dus herstel van de populatie optreden. Verwacht wordt dat dit een ecologisch relevante herstelperiode is. Bovendien wordt verwacht dat de resultaten van de aged residue test met Coccinella septempunctata representatief zijn voor de overige niet-doelwitarthropoden. Hiermee wordt voor vollegrondstoepassingen, waarbij geen natuurlijke vijanden worden ingezet, voldaan aan de norm voor niet-doelwitarthropoden zoals opgenomen in de UB. Ter bevestiging dienen voor een toekomstige beoordeling aged residue testen geleverd te worden met twee andere gevoelige soorten (andere dan Coccinella septempunctata).
Deze testen kunnen de aanvullende gegevens zoals gevraagd bij de afzonderlijke soorten, vervangen.

 

Voor de kastoepassingen en de vollegrondstoepassingen waarbij natuurlijke vijanden worden ingezet, zijn aged residue testen niet relevant. Daarom is een risico niet uit te sluiten en wordt niet voldaan aan de norm voor niet-doelwitarthropoden zoals opgenomen in de UB. Ter bescherming van ingezette natuurlijke vijanden dient een waarschuwingszin op het etiket te worden geplaatst: “Dit middel is schadelijk voor niet-doelwitarthropoden. Vermijd onnodige blootstelling”.

 

Risicobeoordeling voor regenwormen

 

Thiacloprid

 

Regenwormen kunnen worden blootgesteld aan thiacloprid bij toepassingen in volle grond en kassen. De laagste 14-daagse LC50 voor Eisenia fetida is 51 mg w.s./kg grond uit een toets met de SC 480 formulering in kunstgrond. Aangezien logKow =1,26 en daarmee <2, hoeft geen omrekening naar een organische stofgehalte van 4,7% plaats te vinden. De acute norm wordt dan 0,1*51=5,1 mg/kg grond.

 

Toepassingen met frequentie groter en gelijk aan 3 dienen te worden getoetst aan de subletale norm voor regenworm. De subletale normoverschrijding voor regenwormen wordt berekend als PIEC /NOEC<0,2. Uit een studie met de SC 480 formulering is een NOEC-waarde afgeleid van <0,0625 kg w.s./ha, wat overeenkomt met <0,089 mg/kg grond. De chronische norm wordt dan 0,2*0,089 = <0,0179 mg/kg grond.

 

De initiële concentraties van thiacloprid in de bodem na de laatste toepassing en quotiënt van PIEC en acute en chronische norm voor regenwormen staan in tabel M.25. Toepassing 32 is op substraatteelt, zodat blootstelling van regenwormen niet plaatsvindt.

 

Tabel M.25 Overzicht concentraties in bodem en PIEC/LC50

Nr

Teelt

Doelwit arthropood

Dosering

[kg w.s./ha]

Freq

Inter-val

[dag]

Frac-tie

op

bo-dem

PIEC

[mg/kg]

Normover-schrijding acuut (PIEC/0,1
*LC50)

Normover-schrijding chronisch (PIEC/0,2*
NOEC)

1

fabrieks-consumptie-pootaardappel: v.g.

groene perzikluis, vuilboomluis, aardappeltopluis, zuigschade

0,12

3*

60

0,7

0,12

2,4*10-2

>6,7

2

suiker-voederbiet: v.g.

groene perzikluis, zuigschade

0,12

3*

60

0,7

0,12

2,4*10-2

>6,7

3

hennep: v.g

kaswittevlieg, groene perzikluis

0,12

3*

60

0,8

0,14

2,7*10-2

>7,8

4

hennep: o.g.

kaswittevlieg, groene perzikluis

0,072

3*

60

0,8

0,082

1,6*10-2

>4,6

5

appel en peer, jong gewas: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7-10-2

>7,7

6

appel: v.g.

bladluizen

0,18

3*

60

0,5

0,129

2,5*10-2

>7,2

7

peer: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2-10-2

>9,2

8

appel, jong gewas: v.g.

appelzaagwesp, groene appelwants

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

9

appel: v.g.

appelzaagwesp, groene appelwants

0,18

3*

60

0,5

0,129

2,5*10-2

>7,2

10

peer, jong gewas: v.g.

groene appelwants

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

11

peer: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2*10-2

>9,2

12

pruim, kers: v.g.

groene appelwants

0,18

3*

60

0,8

0,206

4,0*10-2

>11,5

13

pruim, kers: v.g.

bladluizen

0,18

3*

60

0,8

0,206

4,0*10-2

>11,5

14

rode, witte, zwarte en kruisbes: v.g.

bladluizen

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2*10-2

>9,2

15

rode, witte, zwarte, blauwe en kruisbes: v.g.

groene appelwants

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2*10-2

>9,2

16

blauwe bes

bladluizen

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2*10-2

>9,2

17

aardbei

bladluizen

0,072

3*

60

0,8

0,082

1,6*10-2

>4,6

18

braam, framboos, loganbes, taybes : v.g. en o.g.

bladluizen

0,144

3*

60

0,8

0,165

3,2*10-2

>9,2

19

aardbei: o.g.

bladluizen

0,168

3*

60

0,8

0,192

3,8*10-2

>10,8

20

aardbei: v.g.

larven kaswittevlieg

0,072

4

7

0,8

0,084

1,6*10-2

>4,7

21

aardbei: o.g.

larven kaswittevlieg

0,168

4

7

0,8

0,197

3,9*10-2

>11,3

22

augurk, courgette: v.g.

bladluizen

0,096

3*

60

0,8

0,110

1,9*10-2

>6,2

23

bloembol, bloemknol, bolbloemgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

24

gladiool: v.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

0,8

0,141

2,8*10-2

>7,9

25

bloemisterijgewassen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

26

bloemisterijgewassen: v.g.

larven kaswittevlieg

0,12

4

7

0,8

0,141

2,8*10-2

>7,9

27

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

28

boomkwekerijgewassen, vaste planten: v.g.

larven kaswittevlieg

0,12

4

7

0,8

0,141

2,8*10-2

>7,9

29

openbaar groen: v.g.

bladluizen

0,12

3*

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

30

vruchtgroenten: o.g.

bladluis

0,18

3

60

0,8

0,206

4,0*10-2

>11,5

31

vruchtgroenten: o.g.

larven kaswittevlieg

0,18

4

7

0,8

0,234

4,6*10-2

>13,1

32

vruchtgroenten: substraatteelt o.g.

larven kaswittevlieg

0,24

3

60

-

-

-

-

33

bloembol, bloemknol en bolbloem-gewassen: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

34

gladiool: o.g.

gladiolentrips

0,12

3

7-10

0,8

0,156

3,1*10-2

>8,7

35

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

bladluis

0,12

3

60

0,8

0,137

2,7*10-2

>7,7

36

bloemisterijgewassen,  boomkwekerijge-wassen en  vaste planten: o.g.

kaswittevlieg

0,12

4

7

0,8

0,156

3,1*10-2

>8,7

*de toepassingen met interval van 60 dagen worden beschouwd als enkelvoudige toepassingen

 

Uit bovenstaande tabel blijkt een gering acuut risico voor regenwormen. Derhalve voldoen alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid aan de acute norm voor regenwormen zoals opgenomen in de UB.

 

Wat het chronische risico betreft, blijkt uit tabel M.26 dat bij alle aangevraagde toepassingen de normoverschrijding >1. Derhalve voldoen alle onderhavige toepassingen in eerste instantie niet aan de subletale norm voor regenwormen zoals opgenomen in de UB. Derhalve dient een adequate risicobeoordeling uitgevoerd te worden.

 

Er is een veldstudie uitgevoerd waarbij de SC 480 formulering werd toegepast in een tweevoudige dosering van 0,150 en 0,250 kg w.s./ha, met een spuitinterval van 3 weken in mei 1995. De abundantie in de controle was hoog met dichtheden van 79 tot 329 wormen/m2, er werden 6 verschillende soorten geïdentificeerd. Na 7 weken waren in beide behandelingen de aantallen juvenielen en adulten van alle soorten afgenomen ten opzichte van de controle. De verschillen waren niet significant, met uitzondering van de aantallen adulte Lumbricus castaneus bij de lage dosering. Na 5 maanden was de abundantie en biomassa van adulte L. terrestris significant lager bij de dosering van 0,125 kg w.s./ha, de reductie in aantallen was ook na 1 jaar significant. Op deze tijdstippen werd bij de hoge dosering van 0,250 kg w.s./ha geen significante afname in abundantie of biomassa gevonden ten opzichte van de controle.

Bij de hoge dosering van 0.250 kg a.i./ha was er vanaf 5 maanden na behandeling sprake van een toename in de aantallen voor de epilobe soorten, waaronder Aporrectodea caliginosa en A. terrestris longa. De tanylobe Lumbricus-soorten vertoonden bij deze dosering een afname, die werd veroorzaakt door een verminderd aantal juvenielen.

De variabiliteit van het voorkomen van regenwormen in het veld in beschouwing nemend, kan worden geconcludeerd dat in deze studie de regenwormpopulatie niet negatief is beïnvloed.

 

De vraag is nu of de in de studie gebruikte dosering relevant is voor de aangevraagde toepassingen. In eerste instantie lijkt dat niet zo te zijn, omdat de geteste dosering maximaal 0,250 * 2 = 0,5 kg/ha, terwijl de aangevraagde toepassingen maximale doseringen hebben van 0,168 * 4 = 0,672 kg/ha hebben. Hierbij is echter geen rekening gehouden met afbraak van het residu in de grond, wat niet realistisch is gezien de zeer snelle afbraak in grond van thiacloprid. De werkelijke uiteindelijke dosering kan bepaald worden met behulp van de zogenaamde Multiple Application Factor (MAF). Hierin zijn de halfwaardetijd in grond (1,3 d), het interval en de frequentie verwerkt (MAF=(1--(ln2/DT50)*n*i) ) / (1-(-(ln2/DT50)*i)), waarin n = frequentie en i = interval, zoals beschreven in het Guidance Document for Birds and Mammals). De enkelvoudige dosering wordt vermenigvuldigd met de MAF om de uiteindelijke dosering te krijgen.

Voor de geteste dosering geldt: interval 21 d, freq 2: MAF 1,0 dus uiteindelijke dosering 0,250 * 1,0 = 0,250 kg/ha.

Voor de aangevraagde toepassingen geldt:

interval 60 d, freq 3: MAF 1,0 dus maximale uiteindelijke dosering 0,18 * 1,0 = 0,18 kg/ha

interval 7 d, freq 3: MAF 1,02 dus maximale uiteindelijke dosering 0,12 * 1,02 = 0,12 kg/ha

interval 7 d, freq 4: MAF 1,02 dus maximale uiteindelijke dosering 0,18 * 1,02 = 0,18 kg/ha.

 

Hieruit blijkt dat alle aangevraagde toepassingen een lagere uiteindelijke dosering hebben dan de geteste dosering. De dosering in de veldstudie, waarbij geen effecten op regenwormen zijn gevonden, is dus relevant voor alle aangevraagde toepassingen. Hiermee voldoen alle aangevraagde toepassingen aan de subletale norm zoals vastgesteld in de UB.

 

m02

Voor metaboliet m02 is een LC50 > 1000 mg/kg beschikbaar. Toetsing van deze waarde aan de hoogste PIECbodem van 0,206 mg/kg van de moederstof geeft een normoverschrijding van 2,1*10-2. Hiermee voldoet metaboliet m02 aan de acute norm voor regenwormen zoals opgenomen in de UB. Het subletale risico is gedekt door bovenstaande veldstudie.

 

Andere bodem-macro-organismen

 

Voor m02 is voor Folsomia candida een NOEC (reproductie) beschikbaar van 10 mg/kg droge grond. Deze wordt getoetst aan de hoogste PIEC bodem van 0,206 mg/kg van de moederstof. Met een veiligheidsfactor 10 bedraagt de norm 1 mg/kg. De normoverschrijding is dan 0,2. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat m02 een gering risico oplevert voor springstaarten.

 

Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen

 

Bij concentraties van 0,26 en 2,6 mg w.s./kg (overeenkomend met resp. 0,1875 en 1,875 kg w.s./ha) werden geen effecten op de respiratie en de stikstofcyclus gevonden. De maximale dosering van thiacloprid op grond is 0,18 kg w.s./ha. Het risico voor bodemmicro-organismen door toepassing met thiacloprid wordt derhalve gering geacht. Voor m02 kan ervan worden uitgegaan dat deze metaboliet voldoende is meegenomen in de test, aangezien het maximale vormingspercentage binnen de range van de testduur bereikt wordt.

Alle toepassingen voldoen aan de normen voor bodem-microorganismen zoals opgenomen in de UB.

 

Etikettering

 

Voorstel voor classificatie werkzame stof thiacloprid (symbolen en R-zinnen)
(EU-classificatie)

Symbool:

N

met als onderschrift: Milieugevaarlijk

 

R-zinnen

R50/53

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot het milieu

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel en de eigenschappen van de hulpcomponenten, wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

(De in onderstaande tabel gebruikte nummering komt overeen met de nummering in het Collegebesluit, § IV, Verpakking en etikettering:)

2c)

Gevaarsymbool:

N

aanduiding:

Milieugevaarlijk

 

R-zinnen1

50/53

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

 

 

 

 

S-zinnen2

60

Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren. (Deze zin hoeft niet te worden vermeld op het etiket indien u deelneemt aan het verpakkingenconvenant, en op het etiket het STORL-vignet voert, en ingevolge dit convenant de toepasselijke zin uit de volgende verwijderingszinnen op het etiket vermeldt: 1) Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld, zoals wettelijk is voorgeschreven. 2) Deze verpakking is bedrijfsafval, nadat deze volledig is geleegd. 3) Deze verpakking dient nadat deze volledig is geleegd te worden ingeleverd bij een KCA-depot. Informeer bij uw gemeente.)

 

 

61

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidskaart.

1 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code R..), 91/414/EG, annex IV (Code RS..) of nationaal toegekende zinnen (code G..)

2 Zinnen afkomstig uit 67/548 (code S..), 91/414/EG, annex V (Code SP..) of nationaal toegekende zinnen (code V..)

3 Zinnen afkomstig uit 1999/45/EG (code DPD..)

 

Conclusie met betrekking tot milieu

 

1.      De werkzame stof thiacloprid voldoet aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

2.      De metaboliet m02 voldoet niet aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Indien een maximale toepassingsfrequentie in acht wordt genomen van 2x bij toepassing 6, 7, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 30 en 31, en een maximale toepassingsfrequentie van 3x bij toepassing 26, 28 en 36, voldoen alle toepassingen van Calypso wat betreft metaboliet m02 aan de norm voor persistentie zoals vastgesteld in de UB.

3.      Alle onderhavige toepassingen voldoen voor wat betreft thiacloprid aan de normen voor uitspoeling zoals opgenomen in Uniforme Beginselen (UB).

4.      Alle onderhavige toepassingen voldoen voor wat betreft metaboliet m02 aan de normen voor uitspoeling zoals opgenomen in Uniforme Beginselen (UB).

5.      Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen en sedimentorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen, mits driftreducerende maatregelen in acht worden genomen.

6.      Alle onderhavige toepassingen op basis van metaboliet m02 voldoen aan de normen voor toxiciteit waterorganismen en sedimentorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

7.      Thiacloprid voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

8.      De metaboliet m02 voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

9.      Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

10.  Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

11.  Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

12.  De aangevraagde kastoepassingen en vollegrondstoepassingen waarbij natuurlijke vijanden worden ingezet, voldoen niet aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de UB. Ter bescherming van arthropoden die worden ingezet als natuurlijke vijanden dient op het etiket de volgende waarschuwingszin te worden geplaatst: “Dit middel is schadelijk voor niet-doelwitarthropoden. Vermijd onnodige blootstelling”. De aangevraagde veldtoepassingen, met uitzondering van die toepassingen waarbij natuurlijke vijanden worden ingezet, voldoen aan de norm voor niet-doelwitarthropoden zoals opgenomen in de UB.

13.  Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen

14.  Alle onderhavige toepassingen op basis van m02 voldoen aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen

15.  Alle onderhavige toepassingen op basis van thiacloprid voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

16.  Alle onderhavige toepassingen op basis van m02 voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Vragen voor toekomstige beoordeling

 

Ter bevestiging dienen voor een toekomstige beoordeling van het risico bij veldtoepassingen waarbij geen natuurlijke vijanden worden ingezet aged residue testen geleverd te worden met twee gevoelige arthropodensoorten (andere dan Coccinella septempunctata).

 

Conclusie

 

Bij gebruik volgens het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing is het middel Calypso, op basis van de werkzame stof thiacloprid, voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens en het milieu (artikel 3 en 3a  van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962).

 

In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing dient opgenomen te worden:

- Dit middel is schadelijk voor niet-doelwitarthropoden. Vermijd onnodige blootstelling.

 

- Om de bodemorganismen te beschermen mag u dit product in de toepassingen in groot fruit (met uitzondering van jong gewas), klein fruit (met uitzondering van aardbeien in de vollegrond) en vruchtgroenten onder glas (met uitzondering van substraatteelt) ten hoogste tweemaal gebruiken en in de toepassingen in bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen (in de vollegrond en onder glas) ten hoogste driemaal gebruiken.

 

- De aangevraagde driftreducerende maatregelen dienen in het WGGA opgenomen te worden.


 

In de teelt van appels en peren, jong gewas, vóór 1 mei:

In de teelt van appels en peren, jong gewas na 1 mei:

 

In de teelt van appels, pruimen en kersen, vóór 1 mei:

In de teelt van appels, pruimen en kersen, na 1 mei:

 

In de teelt van peren, vóór 1 mei:


In de teelt van peren, na 1 mei:

 

In de teelt van aardbei in de vollegrond:

 

In de teelt van bloemisterijgewassen in de vollegrond:

 

In de teelt van boomkwekerijgewassen en vaste planten tegen bladluizen:

 

In de teelt van boomkwekerijgewassen (met uitzondering van opzetters) en vaste planten tegen de larven van de kaswittevlieg:

 

De etikettering wordt als volgt vastgesteld.

 

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

Xn

aanduiding:

schadelijk

 

 

N

 

milieugevaarlijk

 

R-zinnen1

20/22

Schadelijk bij inademing en bij opname door de mond.

 

 

40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

 

 

43

Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

 

 

50/53

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

 

 

 

 

S-zinnen2

21

Niet roken tijdens gebruik

 

 

23

Spuitnevel niet inademen

 

 

36/37

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

 

 

46

In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

 

 

60

Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren. (Deze zin hoeft niet te worden vermeld op het etiket indien u deelneemt aan het verpakkingenconvenant, en op het etiket het STORL-vignet voert, en ingevolge dit convenant de toepasselijke zin uit de volgende verwijderingszinnen op het etiket vermeldt: 1) Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld, zoals wettelijk is voorgeschreven. 2) Deze verpakking is bedrijfsafval, nadat deze volledig is geleegd. 3) Deze verpakking dient nadat deze volledig is geleegd te worden ingeleverd bij een KCA-depot. Informeer bij uw gemeente.)

 

 

61

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidskaart.


2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen3

SPo2

Was alle beschermende kleding na gebruik

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD014

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen

2h) 5

Kinderveilige sluiting verplicht?

nvt

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

nvt

 

De huidige beoordeling en besluitvorming zijn overeenkomstig de in bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG vastgelegde uniforme beginselen op basis van een dossier dat beantwoordt aan de eisen van bijlage III bij die richtlijn.

 

 

Besluit

 

·       Het College besluit de aanvraag tot uitbreiding van de toelating van het bestrijdingsmiddel Calypso, 20040191 UG, op basis van thiacloprid, toegepast als insectenbestrij­dingsmiddel in de grondgebonden teelt onder glas en buitenteelt door middel van:

I.   gewasbehandeling van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat, bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen en vaste planten en

II   druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart van aubergine, paprika, Spaanse peper, tomaat, grootfruit, kleinfruit (ondermeer aardbeien), aardappelen, bieten, hennep en openbaar groen te honoreren op grond van art. 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

 

·       Het College besluit de aanvraag tot herregistratie van de toelating van het bestrijdingsmiddel Calypso, 20040491 THG, op basis van thiacloprid, toegepast als insectenbestrijdingsmiddel in

I.  de niet-grond gebonden teelt onder glas door middel van gewasbehandeling van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat, bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, bloemisterijgewassen, boomkwekerijgewassen en vaste planten en door middel van druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart, aubergine, paprika, Spaanse peper en tomaat;

II   de grondgebonden teelt onder glas en buitenteelt door middel van:

gewasbehandeling van aubergine, augurk, courgette, komkommer, paprika, pattison, Spaanse peper en tomaat, bloembol-, bloemknol- en bolbloemgewassen, bloemisterijgewassen en boomkwekerijgewassen en vaste planten en

III. druppelbehandeling, mits toegepast na 1 maart van aubergine, paprika, Spaanse peper, tomaat, grootfruit, kleinfruit (ondermeer aardbeien), aardappelen, bieten, hennep en openbaar groen te honoreren op grond van art. 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

·       Als (nieuwe) einddatum voor thaicloprid wordt 31 december 2014 vastgesteld.

·       Als expiratiedatum wordt 31 december 2014 vastgesteld (= einddatum thiacloprid).

·       Etikettering

 

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

-

Gevaarsymbool:

Xn

aanduiding:

schadelijk

 

N

 

milieugevaarlijk

R-zinnen

20/22

Schadelijk bij inademing en bij opname door de mond.

 

40

Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.

 

43

Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.

 

50/53

Zeer vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

 

 

S-zinnen

21

Niet roken tijdens gebruik

 

23

Spuitnevel niet inademen

 

36/37

Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding.

 

46

In geval van inslikken, onmiddellijk een arts raadplegen en verpakking of etiket tonen.

 

60

Deze stof en de verpakking als gevaarlijk afval afvoeren. (Deze zin hoeft niet te worden vermeld op het etiket indien u deelneemt aan het verpakkingenconvenant, en op het etiket het STORL-vignet voert, en ingevolge dit convenant de toepasselijke zin uit de volgende verwijderingszinnen op het etiket vermeldt: 1) Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld, zoals wettelijk is voorgeschreven. 2) Deze verpakking is bedrijfsafval, nadat deze volledig is geleegd. 3) Deze verpakking dient nadat deze volledig is geleegd te worden ingeleverd bij een KCA-depot. Informeer bij uw gemeente.)

 

61

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidskaart.

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen

SPo2

Was alle beschermende kleding na gebruik

 

 

 

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen

Kinderveilige sluiting verplicht?

nvt

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

nvt

 

·       De voorlopige MRL’s voor thiacloprid worden vastgesteld als volgt:

Kers

0,3

Pruim

0,05

Aardbei

0,5

loganbes

1,0

braam

1,0

framboos

1,0

overige rubussoorten

1,0

rode, witte en zwarte aalbes

1,0

blauwe bes

1,0

kruisbes

1,0

aardappel

<0,02

suiker/voederbiet

-

suiker/voederbiet loof

-

Komkommer

0,5

 

 

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,





(voorzitter)